Foto bij 8.Vuur!

En zo ging Yindé op weg. Ze voelde zich opgewonden, bijna vrolijk toen ze vertrok. Maar toen ze een tijdje op weg was zakte dat gevoel weer weg. Eigelijk was het een dwaze inval geweest om naar Anya te gaan, maar ze voelde zich opgesloten in de stad, ze wou er niet blijven, de enige uitweg was haar vriendin die ze al twee jaa niet meer had gezien. En eigelijk had ze daar nooit veel spijt van gehad, Anya was niet de beste vriendin die je je kon wensen: ze was egoïstisch en hebberig. Hoe meer ze erover nadacht hoe minder ze uitkeek naar het doel van haar reis. Haar zorgeloosheid verdween al snel, zeker toen ze langs platgebrande boerderijen en leeggeroofde akkers kwam. Ze voelde haar maag omdraaien toen ze een dode hond zag liggen, en liep snel langs een ander pad dat er vrediger uitzag. Tegen de avond (avond en nacht is een heel raar begrip in de wereld onder de zon, maar het is er wel degelijk donkerder dan, ook al blijft de hemel een vlammende zon. Het vuur wordt dan wel roder en donkerder, maar op het land zal het nooit helemààl donker worden, maar het is er wel degelijk donker. Als jullie ooit daar zouden komen denk ik dat jullie het een heel speciaal effect zouden vinden, en heel erg onder de indruk zouden zijn, maar ik denk niet dat jullie ooit een kans zullen krijgen om een kijkje achter de zon te nemen, net zomin als Yindé ooit op aarde zal komen, daarom moeten jullie het doen met mijn gebrekkige beschrijving.) vond ze een oude stal die duidelijk al een tijdje verlaten was en probeerde er wat te slapen. Maar haar hoofd zat nog steeds vol gedachten, vreselijke gedachten en afschuwelijke herinneringen. Net toen ze Yara, Dolf en Arthis uit haar hoofd had gebannen moest ze weer denken aan de dag vijf jaar geleden. Om een of andere reden kon ze als ze aan haar moeder dacht alleen nog maar aan dié dag denken, niet aan alle gelukkige herinneringen daarvoor, niet aan haar lieve woordjes en niet aan haar lieve zorgen. Normaal bande ze haar moeder dan ook volledig uit haar gedachte, maar vandaag scheen dat niet te lukken. Ze waande zichzelf weer negen, en speelde die laatste gelukkige minuten in haar hoofd af. Toen ze oppeens een luide knal hoorde schrok ze van haar eigen verbeeldingskracht, pas toen ze het vuur zag besefte ze dat dit het héden was. Ze was metteen volkomen in paniek, er was een bom ingeslagen. Wat een ironisch einde, dacht ze onwillekeurig terwijl ze de staldeur probeerde te vinden. Maar ze zag dat ze al omgeven was door vlammen, en door rook. Ze hoestte en liet zich op haar knieën vallen, probeerde nog verder te kruipen maar zag niets als rook en vuur, niet eens het raam waardoor ze de lucht had kunnen zien.
Langzaam raakte ze het bewustzijn kwijt, en toen kreeg ze het gevoel dat ze vloog. Ze wist het zeker: ze lag in de armen van een engel die haar naar het dodenrijk bracht. Maar als dit het dodenrijk was, waarom bleef die rook dan in haar neus prikken? De hemel moest toch iets goed zijn? Was dit misschien de hel? Van schrik deed ze haar ogen open en zuchtte van verlichting toen ze geen duivel zag, maar overduidelijk een engel. Een jonge engel, hij leek niet veel ouder als haar, met diepbruine ogen en warrig bruin haar. Teminste, dat hij niet veel ouder was als haar was wat ze op het eerste momment dacht, toen keek hij naar haar en uit zijn ogen sprak zo’n eeuwenoude droefheid, zijn ogen leken veel volwassener als de rest van zijn gezicht. Yindé werd betoverd door die ogen, niet alleen door de droefheid en wijsheid ervan maar ook door het gevoel van absolute trouw, en door een vastberadenheid en doorzettingsvermogen die in je van zijn gezicht kon aflezen. Ze kreeg een gevoel van geborgenheid en veilig zijn toen ze in zijn armen lag, pas toen er vlak bij hun een brandende balk neerstortte besefte ze dat hij géén engels was en dat ze in gevaar waren. Ze gilde, snakte naar adem en voelde haar hoofd tollen.
Later bedacht ze dat ze toen het bewustzijn wel verloren moest hebben, want toen ze bijkwam lag ze op het gras dat al nat was van de dauw en keek ze recht in het gezicht van de onbekende jongen. Een eindje van hen stond het huis nog steeds te branden, maar ze lette er al niet meer op. Het was niet de warmte van het vuur waardoor ze overgeweldigd werd, het was de warmte in de ogen van haar redder, ogen die zo vol vriendschap en liefde voor alles om hem heen stonden dat Yindé overspoeld werd met liefde voor hem. En toen hij lachte was zijn lach stralender als de zon, met zijn ogen die een warmere gloed hadden als elk vuur waar ook ter wereld. Yindé kon niet anders als teruglachen, en ze voelde hoe haar hart uitging naar deze jongenman, ze voelde hoe ze niet anders kon dan van hem te houden. En nog meer was ze er van overtuigd dat Anya nooit het doel van haar reis was geweest, ze had naar iets anders gezocht, al had ze niet geweten naar wàt tot ze het had gevonden: tot ze hem had gevonden.

Reageer (1)

  • Sucrose

    VERDER :D
    -x

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen