Foto bij Schrijfwedstrijd Vashton en Soe - Opdracht 2

Thema zomer.
Dit was een groepsopdracht, maar wegens gebrek aan reacties van mijn groepsleden heb ik deze opdracht toch in mijn eentje moeten maken.

De druppel die de emmer deed overlopen kwam erg letterlijk. Vijf dagen nadat alle thermometers op hol waren geslagen, brak er een stuk van de gletsjer af en werden vijf huizen net buiten het dorp bedolven onder half gesmolten ijs. Het was alsof iemand een gigantische slushie leeg had gegooid.
      De paniek die zich door het dorp had verspreid was vanaf dat moment compleet. Op televisie en radio was al dagenlang niets anders meer te horen dan verhalen over hoe de doemdenkers blijkbaar toch gelijk hadden gehad al die keren dat ze de ondergang van de aarde hadden voorspeld. Het einde der tijden was aangebroken, de dag des oordeels was gekomen en hellevuur zou over de aarde razen.
      Zo’n vaart zou het waarschijnlijk niet lopen, dacht Sarah, maar warm werd het wel. Voor een dorpje waar mensen in bikini in de tuin lagen te zonnen als het vijftien graden Celsius was, was het dubbele daarvan niet zozeer iets om zich over te verheugen, dan wel het soort onverwachte record waar men sprakeloos van werd. De zomer was tot dan toe immers doodnormaal verlopen. Mensen hadden hun T-shirts en korte broeken opgegraven, barbecueden in de tuin en droomden ondertussen van warmere oorden, zoals ieder jaar.
      Tot dat laatste opeens niet meer nodig was. De exacte reden konden ook de zwetende wetenschappers op tv niet aanwijzen, maar net als in alle rampenfilms had de natuur spontaan besloten om het saaie spelletje dat de seizoenen al eeuwenlang hadden gespeeld te doorbreken met een soort Russische roulette aan volkomen willekeurige weersomstandigheden op de meest onlogische plaatsen. Sneeuw in Californië, aanhoudende onweersbuien in de Sahara en een hittegolf in een koud dorpje in Noorwegen, waar de zonnebrandcrème op de eerste dag al uitverkocht was in de ene supermarkt die er was. Toen was het nog grappig. Nu niet meer.
      Volgepakte auto’s schoten langs het raam terwijl Sarah een laatste trui in de koffer gooide en het ding dichtsloeg. Ze struikelde bijna over Britta toen ze zich door de woonkamer haastte.
      “Mama?” vroeg Britta, die de kans had gegrepen om zich aan Sarahs been vast te klampen en er niet uitzag alsof ze van plan was binnenkort weer los te laten. “Waar gaan we heen?”
      Sarah haalde een hand door het haar van haar dochtertje. Ze probeerde kalm te glimlachen, maar Britta’s serieuze gezichtsuitdrukking gaf aan dat ze daar zonder moeite doorheen zag. “We gaan op vakantie. Maak je geen zorgen, lieverd.”
      Astrid, de buurvrouw, begeleidde net haar hoogbejaarde moeder naar hun auto toen Sarah de koffer in haar eigen stationwagon gooide. Hun blikken kruisten elkaar voor een moment en als ze niet zo’n haast zou hebben gehad het dorp te verlaten, zou Sarah op dat moment op de bank zijn gaan liggen om te wachten tot de neiging haar hele maaginhoud uit te spugen voorbij zou zijn gegaan. Het was niet prettig om te weten dat Astrids blinde paniek in haar eigen ogen weerspiegeld stond.
      Britta zat heel stil toen Sarah haar op de passagiersstoel in de auto zette en de riem voor haar omdeed. Ze klaagde niet eens dat ze al acht was en het zelf wel kon, zoals ze normaal gesproken zou hebben gedaan. Toen Sarah de auto probeerde te starten en daar twee keer voor nodig had omdat haar handen zo trilden, voelde ze opeens Britta’s serieuze blik op haar gezicht. “Mama,” zei Britta langzaam, “het komt vast wel goed.”
      Sarah moest even heel hard knipperen. Ze kon niet autorijden als haar zicht vertroebeld werd door tranen. Dat zou nog eens het hoogtepunt van duistere ironie zijn, als ze probeerde hun levens te redden door het dorp te ontvluchten, maar in plaats daarvan de auto tegen een boom zou parkeren.
      Dat gebeurde echter niet. Ze haalde enkele keren diep adem, glimlachte waterig naar haar dochter, en manoeuvreerde de auto de oprit af.
      De wegen in het dorp waren weliswaar beter gevuld dan Sarah ze ooit had gezien, maar er was wonder boven wonder geen opstopping. Ze voelde zich weer wat optimistischer toen ze het dorp uit reden. Ze zouden dit redden. Ze zouden de tikkende tijdbom die de smeltende gletsjer nu vormde ontlopen en ze zouden de heetste zomer van hun leven ooit als een lang vergeten nachtmerrie kunnen zien. Er was hoop. Ze hoefden alleen de weg door het dal tussen de bergen door te nemen, de enige toegangsweg tot het dorp, en ze zouden gered zijn.
      “Er staat een file.” Het waren de eerste woorden die Britta in meer dan tien minuten had gezegd en ze deden Sarah opschrikken uit haar overpeinzingen.
      “Oh,” zei ze. Toen merkte ze de reden voor de file op, verder onder aan de berg. Het dal was volgelopen met smeltwater uit hogere gebieden. De asfaltsliert die ze meters dieper konden zien en waar de mensen in alle auto’s naar staarden, verdween in een enorme plas water. Ze zaten in de val. “Oh God.”
      “Ik wist niet dat er hier een meer was,” zei Britta. “Kunnen we gaan zwemmen?”
      Sarah kon haar tranen dit keer niet meer bedwingen. Ze lachte en lachte, al was er niets grappigs aan en maakte ze Britta met haar licht hysterische uitbarsting aan het schrikken. De mensen hier hadden altijd al om warmer weer gebeden. Het leek erop dat hun wensen in vervulling waren gekomen deze zomer.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen