Foto bij Opdracht 3 = FireFoxieABC

Iets prikte tussen mijn ribben. Ik kreunde.
Naast me klonk een verschrikt kreetje en het prikken stopte.
‘Watte?’ kreunde ik versuft. Ik opende mijn ogen. Ik keek recht in een paar donkerbruine ogen. Hondenogen.
Het beest blafte opgewekt. ‘Eindelijk, ik dacht echt dat je dood was, man!’
De hond praatte met een licht Amerikaans accent.
Mijn hoofd bonkte toen ik probeerde na te denken, maar ik herinnerde me niets. ‘H-hoe kom ik hier?’
De hond liet zijn tong uit zijn bek hangen, en ging naast me liggen. ‘Wel,’ begon hij met twinkelende ogen. ‘Een tweevoeter heeft je hier gedumpt. Het was een rare vogel, joh! Zijn vacht zat, net als bij de andere tweevoeters hier, alleen op zijn kop, maar hij had een raar ding met een soort klep op zijn vacht zitten. Die tweevoeters zijn echt raar, man!’
Het bonken in mijn hoofd zwakte af tot een irriterend gezoem, en mijn herinneringen kwamen langzaam opdrijven. De tweevoeter waar ik bij in huis woonde was aardig, dat weet ik zeker. Maar er was nog iets anders, de laatste tijd was hij minder thuis en als hij thuis was, dan zat hij altijd met een wanhopig gezicht tussen de stapels papieren. Iedere dag werden er wel nieuwe papieren door de deur gegooid. En toen,
Hij tilde me op, en knuffelde me. “Het spijt me, Caol.” Fluisterde hij.
Ik begreep hem niet. Is er iets mis?
Hij maakte de leren ketting die ik van hem had gekregen los, en stopte hem in zijn zak. “Kom, eet dit maar op. dan gaan we daarna een stukje wandelen.” Snifte hij.
Hij zette een bakje op de grond. Er zat eten in, dus ik at alles op. Hoopvol keek ik hem aan, maar hij gaf me niet nog wat.
Hij tilde me weer op, en liep met mij in zijn armen naar buiten.
We gingen in de grijze doos naar beneden, want ons huis zit hoog boven de grond. Op straat was het rustig. Hij zette me weer neer, en ik bleef naast hem lopen.
Hij zei niets, maar ik merkte wel dat er iets mis was. We liepen langer en verder dan gewoonlijk. Ik werd moe, heel erg moe.
Ik zakte door mijn pootjes en viel op de straat. Hij zakte op door zijn twee poten en pakte mij voorzichtig op. “Wat is er mis?” kefte ik zacht, maar hij hoorde het niet. Mijn ogen vielen langzaam dicht.
“Het spijt me, Caol.” Fluisterde hij opnieuw. Ik nestelde me tegen zijn borst en de slaap trok mij weg uit de realiteit.

‘Hij heeft me achtergelaten?’ piepte ik.
De hond rekte zich uit, ‘Yep, mijn naam is trouwens Kit. Ik ben een hond.’
Ik antwoordde niet. Hij heeft me achtergelaten? Waarom? Was ik niet goed genoeg?
‘Hallo? Waar kijk je naar? Hé!’ blafte Kit in mijn oor. Ik gromde naar hem.
‘En hoe heet jij? En vooral, wat ben jij?’ vroeg Kit, ondertussen tikte hij met zijn poot tegen één van mijn grote oren.
Ik krabde kort achter mijn oor, ‘Wel, oké dan. Mijn naam is Caol. Mijn tweevoeter zegt - zei, altijd dat ik een woestijnvos ben. Een fennek, noemde hij mij.’
Kit rolde op zijn rug, ‘Wow, wacht even, man! Jij wilt zeggen dat jij een tweevoeter had? Dus je bent gewoon een dom huisdier?’
Ik negeerde Kit en liep weg. Hij blafte kort, en rende achter me aan. ‘Hé, rustig aan, fennekvos! Ik wilde je niet wegjagen, of zoiets.’
Ik liep stug door. ‘Waar ga jij nou weer heen, gozer?’ vroeg Kit.
‘Ik ga naar mijn tweevoeter.’
Kit begon te lachen, het klonk alsof hij overreden werd. ‘Jouw tweevoeter wil je niet meer, jochie. Zo gaat dat nou eenmaal, dus leer ermee te leven.’
Ik bleef staan en keek Kit beteuterd aan, ‘Maar, dan… waar moet ik dan heen?’
Kit blafte opgewonden, ‘Je kan wel met mij mee! Volg mij maar!’
Nog voordat ik kon antwoorden rende de lichtbruine hond weg. Ik zette de achtervolging in. Ik had geen idee waar ik heen ging, noch waar ik heen zou moeten. Kit wrong zich door een metalen hek, en liep een verlaten huis binnen. Ik volgde hem met minder moeite, want ik was kleiner en paste gemakkelijker door de tralies van het hek.
In het huis waren nog veel meer honden als Kit. Ze blaften schel toen we binnenkwamen. Het deed pijn aan mijn gevoelige, grote oren. Ik piepte zacht, maar Kit blafte even schel terug.
‘Kit, ik denk niet dat dit iets voor mij is… bedankt voor alles, maar ik zoek toch even verder.’
Kit blafte streng en zei: ‘Ga niet opzoek naar je tweevoeter. Hij wil je niet. Ga maar naar het park, twee straten verderop.’
Ik knikte en stoof het huis uit, totdat ik het schelle geblaf niet meer kon horen.
Op weg naar het park kwam ik langs een klein huisje. Uit het huisje kwamen overheerlijke geuren, en voor het huis zaten tweevoeters aan tafel te eten of te drinken. Ik liep mijn neus achterna, het huis binnen. Daar was de geur nog sterker.
Overal liepen en zaten mensen. Sommigen zaten aan tafeltjes, net als buiten, maar anderen liepen met bladen vol met voedsel rond.
Ik liep naar een tafel toe, waar het wel heel erg lekker rook. Ik sprong op een lege stoel. Aan de tafel zaten een twee grote tweevoeters en twee kleine. De kleinste tweevoeter had twee staarten op haar hoofd. Ik keek er verbaasd naar, maar ik werd algauw weer afgeleid door het voedsel.
Op de tafel stonden borden met vlees, groentes en nog heel veel dingen waarvan ik geen idee had wat het was, maar wat ik wel eens bij mijn tweevoeter had gezien.
Ik sprong op tafel en begon gulzig te eten. Ik had echt honger!
De grote tweevoeter, met lang haar, gilde. De andere grote tweevoeter sloeg mij van tafel af. Ik jankte zacht, en dook onder de tafel.
‘Wat was dat, pappie?’ vroeg één van de kleine tweevoeters. De andere tweevoeter zei zacht: ‘Ik vond hem lief.’
De rest hoorde ik niet meer, want ik vluchtte snel het huisje uit.

In het park waren de tweevoeters gelukkig aardiger dan de grote tweevoeters in het huisje. Hier sloeg niemand me, ze keken zelfs niet naar me.
Ik liep naar een heuvel toe en begon enthousiast te graven. Van mijn tweevoeter mocht in niet graven, maar hij is er nu niet. Als snel had ik een flinke tunnel en een hol gegraven. Tevreden ging in mijn hol liggen. Hier was het lekker koel, en het was er stil. Nou ja, in vergelijking met buiten dan. Ik hoorde nog heel veel dingen. Één van die dingen kwam steeds dichterbij. Er ontstond ineens een gat in de wand van mijn hol, en er viel een zwart dier naar binnen. Hij stond verschrikt op, en klopte het zand van zich af.
‘Oh, het spijt me zeer. Ik wist niet dat hier iemand woonde. Mijn naam is Edward, Edward Mol.’
Ik keek naar de tunnel waar de mol uit kwam. Het een lange tunnel. ‘Geen probleem, Edward. Ik ben Caol, een woestijnvos. Kan ik je misschien helpen met je tunnel?’
Edward lachte en schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me, beste woestijnvos. Maar wij mollen werken solo. Het was leuk je te ontmoeten.’ Hij klom weer in zijn tunnel. Hij stak nog even zijn poot op, als groet, en verdween toen in de tunnel.
Ik zuchtte. Het is niks aan, alleen. Ik kroop weer uit mijn hol. In het park was het ondertussen rustiger geworden. Ik rolde me op tot een balletje en ging onder een boom liggen. Ik bleef stil liggen en keek naar de dieren en tweevoeters in het park.
Na een tijdje liep er een tweevoeter naar me toe. Het was nog een kleintje.
Het leek wel een beetje op de tweevoeter met de staartjes uit het huisje.
‘Hallo vosje, ik ben Misha.’ Zei de tweevoeter. Ik stond op, en keek haar nieuwsgierig aan. Ze lachte en kwam nog wat dichterbij. Ze kriebelde me achter mijn oren, ‘Wat heb jij grote oren!’ giechelde ze.
Ze ging in het gras zitten, en ik nestelde me tevreden op haar schoot.
Er kwam een grote tweevoeter aan, ‘Misha, lieverd, wat doe je?’
Misha lachte weer, ‘Kijk mama! Ik heb een vosje gevonden, en hij vind mij lief! Mag ik hem houden?’
Ik keek hoopvol op naar de grote tweevoeter, die glimlachte. ‘Maar Misha, misschien heeft hij al een baasje.’
Ik schudde snel mijn kop. De tweevoeter keek verbaasd. ‘Oké dan. We nemen hem mee, maar als iemand hem komt zoeken, dan moet hij weer naar zijn eigen baasje.’
‘Ja, mama!’ riep Misha enthousiast. Ik piepte zacht en duwde mijn poot tegen mijn oor, het geluid was veel te hard. ‘Sorry, vosje.’ Fluisterde Misha direct.
Ze tilde me onhandig op, en liep blij achter haar tweevoeter aan.

Mijn oude tweevoeter kwam me niet zoeken. Misha’s tweevoeter ging met mij naar een enge tweevoeter in een lange witte jas, hij had allemaal koude dingen. Hij zei dat ik gezond was, maar dat had ik ook wel kunnen vertellen.
Ik bleef bij Misha. De kleine tweevoeter was heel erg aardig, en ik voelde me thuis bij hun. Soms mis ik mijn oude tweevoeter wel, maar, zoals Kit me vertelde, ik heb ermee leren leven. Gelukkig heeft dit verhaal wel een eind goed, al goed.
Ik ging dicht tegen de kachel in mijn nieuwe huis liggen, en viel tevreden in slaap.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen