Langzaam wandel ik langs het asfalt. Auto’s rijden voorbij en laten een stinkend gas na. Zwarte rook. Steeds als er een auto voorbij rijdt spatten de plassen uiteen. Grote huizen die licht geven komen dichterbij. Strompelend ploeg ik door de harde regen. Mijn vacht is kleddernat en ik zoek naar een droge plek. Mijn poten laten een spoor na van zwarte modder. Het modder van het bos waar ik net was. Mijn maag is leeg voor de zoveelste keer. Eten, ik wil eten. Ik wil een kip, aardbeien en walnoten. Kevers, sprinkhanen… Ik beeld me in hoe ik ze vind en op eet. De geur.. De lichten uit de huizen worden minder fel en er komen steeds minder auto’s voorbij. De regen word steeds harder, maar mijn lege maag boeit meer dan regen.

De asfalt weg wordt smaller en de huizen komen steeds dichterbij. Meteen ruik ik vlees en begin ik sneller te lopen. Eten. Eindelijk eten. Door mijn enthousiasme duw ik een grote prullenbak om ver. Het maakt een hard, dof geluid op de stenen. De deksel valt eraf en de geur van vlees word nog duidelijker. Van vreugde loop ik de prullenbak in en graaf ik wat vuilnis weg. Eten, ik wil eten. Vlees, het is hier. Ik wil. Handig graaf ik een stuk vlees eruit. Er is een hap uit genomen en het is een dag oud. Toch pak ik hem gretig uit de prullenbak en ik eet hem op. Met een wat meer gevulde, maar toch lege maag graaf ik verder. Geen vlees geur, wel vruchten. Handig pak ik wat frambozen en geniet ik ervan.

Aan de zijkant van de prullebak krioelen kleine witte wormpjes. Het zijn er duizenden en door de geur van het lekkere vlees heb ik ze niet gezien. De wormpjes heb ik wel eerder gezien: het zijn maden en ik gris er een paar van en eet ze op. Eigenlijk zijn ze niet zo lekker, maar mijn maag is wel wat gevuld.
Teleurgesteld van de maden wandel ik verder het steegje in en klim ik over een laag, houten hek heen. De avond is nog donkerder geworden. Pikkedonker, het enige licht komt uit de huizen en de straatlantaarns op straat.

Geruisloos wandel ik door het gras, kort gras. Ik mis de bloemen en het hoge gras erin, maar ik wandel verder en nog het allebelangrijkste: ik ruik eten. Aangetrokken door de geur loop ik het huis in en kom ik in de keuken terecht. Ik spring op het aanrecht en gooi lomp wat blikken eraf. Vaag ruik ik iets overheerlijks. Iets lekkers wat ik niet kan plaatsen, lekkere geuren door elkaar heen. Het is ergens verstopt. Ik loop richting de tuin en de lekkere geur word minder scherp. Een teken dat het ergens in het huis ligt.

Haastig draai ik me om en wandel ik verder de keuken in. Ik hoor pootjes op de stenen vloer. Vlug maak ik de kast open; het eerste wat ik merk is de koelte, maar ook de meest lekkere geuren door elkaar heen: kersen, aardbeien, walnoten, pecannoten, pinda’s, maar ook de overheelijke geur van nog meer vlees. Ik pak wat kersen en prop me vol. Heerlijk. Snel ga ik over naar de bak nootjes die ik handig open maak. Er zitten droge, zoete druiven die wat minder zijn dan gewone druiven, maar toch lekker zijn en nootjes die ondanks dat ze zout zijn toch eet. En dan zoek ik ook nog naar het vlees. Kip. Taloze spullen laat ik vallen omdat eene stukje te pakken. Ik zie grote bladeren en ik eet ze meteen op. Ze smaken naar niks.

Het geluid van stappen komen steeds dichterbij. Vluchtig zoek ik naar het eten. Het bovenste laatje; daar ligt het. Ik klim naar boven en pak wat frambozen. Heerlijk zoet. Gulzig eet ik ze meteen op en zoek ik verder. Het geluid van voetstappen zijn gestopt; ik kijk naar beneden. Groene, lichtgevende ogen kijken mij boos aan.

‘Wegwezen!’ Blaast het dier naar me toe. Met mijn poot graai ik nog wat in de koude kast en laat ik wat groente vallen. Had ik ze maar gepakt, dan had ik weer wat te eten. Snel pak ik het verpakte vlees waar ik waarschijnlijk altijd naar op zoek was. Hij zit verpakt en ik kan hem niet meteen opeten. Toch duw ik hem in mijn mond. Ongemakkelijk kijk ik het dier aan.
Hij kijkt me weer neidig aan en springt met gemak op het aanrecht. ‘Kom dan,’ zegt de kat uitdagend. Voorzichtig klim ik via de kast; lade voor lade naar beneden en probeer ik het vlees niet te laten vallen. Het dier blijft staan en wacht geduldig tot ik op de grond terecht kom. Angstig spring ik naar beneden en begin ik te rennen. Ik kijk even om en zie dat de kat boos naar me zit te kijken. ‘Laat je hier nooit meer zien oke?’ Mauwt ze me nijdig toe en ik antwoord simpel: ‘Ja,’ maar ik weet zeker dat ik lieg. Ik heb zoveel lekkers hier gevonden en ik heb het niet eens allemaal op. Met een gevulde maag loop ik het grasveld uit.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen