Foto bij Triwizard Tournament - Opdracht 1 - Happy Halloween

Kwalificatieronde 1: De vreemde situatie


Plots komen er verschillende voertuigen op het kasteel van Zweinstein af. Leerlingen kijken verbaasd om hen heen en weten niet wat er gebeurd. Ergens duikt een gigantische boot op en weer ergens anders komen er vliegende paarden op hen af. Dit is een heel vreemde situatie en de leerlingen van Zweinstein weten niet hoe ze zich moeten gedragen. Een ontmoeting met vreemden, hoe kan dat goed aflopen?

Deze eerste opdracht zal dus draaien rond vreemde situaties. Ik heb namelijk achter de schermen een lijstje verborgen met eerst de letters van het alfabet, en vervolgens getallen van 1 tot 12. Achter elke letter schuilt een personage uit Harry Potter, en achter elk getal schuilt een bekende plaats. Voor deze opdracht zal je een verhaal moeten schrijven waarin drie personages van de lijst, elkaar tegenkomen op een plaats van de lijst. Via een privé-bericht stuur je drie letters van het alfabet, en een getal van 1 tot en met 12 naar me. Ik stuur jou dan de drie personages en de plaats die achter jou letters en cijfer schuilen.

Het lijkt misschien makkelijk, maar dat is het absoluut niet! Krijg maar eens Petunia, Dolleman en Omber die elkaar tegenkomen in de Geheime Kamer! Probeer je verhaaltje een beetje realistisch te maken, ze moeten elks een reden hebben waarom ze juist op die plaats zijn. En laat dus ook niet Bellatrix en Hermelien beste vrienden worden. Er mogen ook andere personages in je verhaaltje komen, maar de drie personages moeten een heel duidelijke hoofdrol hebben!
Verder ben je helemaal vrij. Je kan dus zelf je verhaallijn kiezen.

Regels en deadlines:
x Minimum aantal woorden: 700
x Maximum aantal woorden: 1700
x Perspectief: Keuze tussen twee dingen:
      1. Hij/zij-perspectief.
      2. Ik-perspectief. (Vanuit één van de drie personages!)
x Deadline pb: Vrijdag 8 april 23:59 (Als je het niet vroeger stuurt, kies is zelf jouw letters en cijfers.)
x Deadline opdracht: Zondag 17 april 23:59


Mijn personages zijn Albus Perkamentus, Bellatrix van Detta en Severus Sneep. Mijn locatie is Ligusterlaan 4.

De Ligusterlaan was een rustige, respectabele straat in een rustige, respectabele buurt. Alle bewoners hadden een hekel aan hun buren, hielden hun voortuin op orde en maakten elkaar regelmatig valse beloftes om een keer op bezoek te komen voor de thee. Er gebeurde weinig, maar er gebeurde ook weinig waar niet over werd geroddeld, dus op een bepaalde manier woog dat mooi tegen elkaar op. Al met al hadden de Duffelingen van nummer 4 hun straat waarschijnlijk kunnen aanmelden voor Meest Gemiddelde Laan Van Klein Zanikem, als een dergelijke competitie had bestaan.
      Er was slechts één ding dat ze zou kunnen hebben gediskwalificeerd, en dat was de Halloweennacht van 1981. De halfhartige pompoenversieringen van nummer 7 waren de hele dag een verhit punt van discussie geweest onder de huisvrouwen, maar ze wogen niet helemaal op tegen wat er na zonsondergang gebeurde. Een kat veranderde in een vrouw, een man in een soort jurk doofde alle straatlantarens met een aansteker, en een halfreus op een vliegende motor kwam een kleine, in dekens gewikkeld baby met een raar litteken afleveren. Het enige wat de zeer gemiddelde reputatie van de Ligusterlaan nog kon redden van complete ondergang, was het feit dat het allemaal zeer stilletjes was gegaan, in het duister van de nacht. Niemand had er iets van gezien, en wat niemand zag, kon ook niemand omvormen tot nieuws over aliens in Surrey.
      Het gevaar was echter nog niet geweken. De strenge kattenvrouw was al om de hoek getrippeld en de motor was tegen alle natuurwetten in weer opgestegen met de gigantische man erop, toen twee nieuwe, al evenzo curieuze figuren aan het begin van de straat verschenen, naar het scheen uit het niets. De ene tel waren ze er nog niet, en de volgende stonden ze er. De lichten deden het onderhand weer, maar het tweetal leek zich hier zeer weinig van aan te trekken.
      De vrouw maakte een verwilderde indruk en zag eruit, zeer simpel gezegd, als een heks. De man was een moeilijker geval. Hij was het type dat moeders niet graag op speelplaatsen zagen rondhangen, met zwarte kleding, sluik, donker haar en een gezicht dat zeer bleek oogde in het fletse nachtlicht, al zou een toeschouwer zich terecht kunnen hebben afgevraagd of zijn huid er beter uit zou hebben gezien in de zon. De ogen van de man waren rood. Drugs, zou meneer Duffeling hebben gedacht, als hij iets van deze bezoeker zou hebben gemerkt. Ten voordeel van alle betrokkenen was dit niet het geval.
      De vrouw rukte ruw haar arm los uit de greep van de man. “Severus!” siste ze, vele malen te luid voor een acceptabele Ligusterlaanspreektoon, al helemaal na negen uur ‘s avonds. Ze leek echter niet het soort persoon dat zich daar iets van aantrok. “Merlijns harige teennagels, wilde je ons versprokkelen?”
      “Wees toch stil, Bellatrix,” snauwde Severus terug.
      Bellatrix maakte een geschokt geluidje, maar deed verder geen moeite om te reageren. Ze draaide op één hak een rondje, waarbij ze met haar armen zwaaide op een manier die vooral bekend was bij dronken mensen. Severus sloot het niet uit, maar het kon hem ook bijster weinig schelen. Niets kon hem nog echt schelen, eigenlijk, niet na de gebeurtenissen van die avond.
      Bellatrix stapte zijn blikveld binnen.
      “Wat doen we hier?” De afschuw die ze voelde was duidelijk in haar stem te horen bij dat laatste woordje. “Dit is een dreuzelwijk. De Heer van het Duister heeft ons nodig en jij brengt ons naar de minst magische plek van heel Engeland? Idioot.”
      Severus beet op zijn tong. Dit was geen geschikt moment om haar te vertellen dat de Heer van het Duister niets en niemand meer nodig had, al helemaal niet haar. Hij wilde nog dat ze iets voor hem deed, want hij dacht niet dat hij het zelf voor elkaar zou kunnen krijgen, ondanks het brandende verlangen in zijn borstkas. “Ik zei dat ik je iets wilde laten zien,” bracht hij uit.
      “Nou, hup hup, dan. Ik heb niet de hele nacht de tijd.”
      Severus keek om zich heen. Het was lastig om vanaf de schemerige straat iets te zien in het duister rondom de huizen. Nummer 7 had rare oranje lichtjes voor het raam hangen en op de tweede verdieping van nummer 6 was een licht aan gesprongen in wat leek op een wc-raampje, maar dat waren allemaal dingen die hem niet minder hadden kunnen schelen. Het was gemakkelijker als ze niet gestoord werden door slaapwandelende Muggles, maar als je een moord kwam plegen, maakte een tweede ook niet meer veel uit, probeerde hij zijn wild kloppende hart te vertellen.
      Bij nummer 4 lag iets op het stoepje, vlak voor de deur.
      Voordat hij zijn stokhand kon optillen om Bellatrix te tonen waar ze moest kijken, bewoog er iets aan de kant van de oneven huisnummers. Er stapte een lang, dun figuur uit de schaduwen naar voren, tot hij in het midden van de straat stond. Daar bleef hij staan. Hij oogde volkomen ontspannen, alsof hij gewoon een wandeling maakte. Het was dezelfde man eerder deel had uitgemaakt van het andere trio.
      “Goedenavond, Bellatrix,” zei hij. “Severus.”
      Bellatrix had zich met een verrassend vloeiende beweging omgedraaid en grijnsde nu haar tanden bloot, haar getrokken toverstok op het hart van de nieuwkomer gericht. “Perkamentus,” spinde ze. “Oh, Severus, waarom zei je dit niet eerder? Ik zou een stuk vrijwilliger met je mee zijn gekomen.”
      “Ik-” begon Severus, maar daar bleef het bij. Iets in Perkamentus’ ogen deed hem verstommen.
      Bellatrix luisterde hoe dan ook niet naar hem. “De Heer van het Duister zal zo blij met ons zijn als hij hoort dat we jou hebben uitgeschakeld, oude man.”
      Perkamentus, altijd onvoorspelbaar, stak zijn handen in de lucht om te laten zien dat hij ongewapend was en glimlachte. Het zag er niet vriendelijk uit. “Het spijt me zeer om je dit op deze brute manier te moeten mededelen,” zei hij, niet erg bezorgd over het feit dat hij in levensgevaar was, “maar je meester is niet meer onder ons, Bella. Voldemort is verslagen, vannacht, net enkele uren geleden.”
      Bellatrix’ stok bewoog geen millimeter, maar haar uitdrukking verzuurde. Als ze ooit zoiets toonde als angst, kwamen haar wijde ogen vrij dicht in de buurt daarvan. “Je liegt!”
      “Vraag het Severus.”
      Bellatrix wierp een korte blik over haar schouder. Severus knikte, zonder zijn ogen van Perkamentus te halen. Het was waarschijnlijk een van de meest gevaarlijke dingen die hij in zijn leven had gedaan, want hij gaf indirect toe dat hij dit nieuws voor haar had verzwegen.
      Bellatrix stootte een woedende schreeuw uit, zwiepte haar stok in de richting van Perkamentus en verdwijnselde ter plekke. De oranje lichtstraal die ze had achtergelaten vloog meters naast het doelwit tegen een tuinhekje, maar voordat het echt had kunnen ontvlammen, maakte Perkamentus een kalme beweging met zijn hand. Zijn stok gleed uit de mouw van zijn gewaad en de brand doofde net zo plotseling als die was begonnen, geen spoor ervan meer te zien.
      Bij nummer 6 ging het wc-licht uit en ging een lamp in de kamer daarnaast aan. Perkamentus maakte nog een sierlijke stokbeweging en het licht doofde weer. Hij was nog bezig met een inspectie van zijn werk met het tuinhekje toen hij begon te praten.
      “Waarom, Severus?”
      Severus overwoog niet te antwoorden. Hij overwoog te verdwijnselen, of Perkamentus te verlammen en hier achter te laten, of een groene lichtstraal op de baby die bij nummer 4 op het stoepje lag af te vuren en zich vervolgens over te leveren aan de autoriteiten. Geen van die opties klonk als iets wat in de buurt kwam van goed. Er was een reden dat hij Bellatrix tegen zijn verstand in had meegesleept om het vuile werk voor hem te regelen.
      “Dat kind,” zei hij uiteindelijk. “Het is van Potter. Het verdiende het niet om te blijven leven terwijl zij-” Hij haalde diep adem en merkte dat hij huiverde, waardoor hij van pure woede op zijn eigen, zwakke lichaam alleen maar meer begon te trillen. “Lily-”
      “Lily zou zich diep voor je schamen als ze wist wat je net hebt geprobeerd te doen met haar zoon,” zei Perkamentus. Zijn stem was kalm, maar zijn blik door zijn halvemaansbrilletje was scherp. “Ik denk dat jij dat ook weet.”
      Er bleef Severus opnieuw niets anders over dan te knikken. Hij draaide zich weg van Perkamentus en ging met zijn hand over zijn ogen, wat hij vervolgens vloeiend liet overgaan in een beweging om te verdwijnselen.
      Perkamentus bleef alleen over. Hij stond een aantal lange minuten in het midden van de straat, in het donker, alleen verlicht door de trouwe, zachtjes zoemende straatlantarens. Hij staarde naar nummer 4 tot er bij het huis daarnaast iemand door een kier in de gordijnen van de woonkamer gluurde. De persoon trok zijn hoofd onmiddellijk terug toen de rare man op straat beleefd zwaaide.
      De volgende dag was de Ligusterlaan in de ogen van alle trotse bewonders nog steeds een rustige, respectabele straat in een rustige, respectabele buurt. Trudy van nummer 6 vertelde wel over de enge man die ze midden in de nacht had zien rondzwerven, maar bij nummer 4 hadden ze van de ene op de andere dag een tweede kind in huis, dus de steunbetuigingen wegens het tragische auto-ongeluk dat een weeskind had gemaakt van Petunia Duffelings neefje overstemden onbevestigde geruchten over bejaarde inbrekers.

Reageer (4)

  • Cami

    Diepe buiging, prachtig stukje!

    8 jaar geleden
  • Donwell

    Jezus. Dit is geweldig. Bejaarde inbrekers? Hilarisch.

    8 jaar geleden
  • ProngsPotter

    Merlins beard, super!

    8 jaar geleden
  • SHlNee

    Òh wauw, dit is echt supercreatief. Het is echt heel leuk geworden Inge! c:

    8 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen