Toen ik voor het laatst wakker werd, had ik geen zicht, geen gehoor. Geen gedachte, en geen vragen.
Ik voelde geen pijn en er was geen gevoel.
Het verdriet die ik ooit had, was verdwenen als sneeuw voor de zon.
Het leek zelfs alsof ik jou nooit had ontmoet.
Dat vriendelijke gezichtje was nooit een probleem voor mij geweest.
Mijn dromen konden immers niet zonder dat gezichtje. De lach die het uitstraalde leek te fonkelen in ieder licht. Jij was immers mijn. Mijn hart van een ziel dat nog nooit een mens had gezien.
Kort leek het alsof ik jou echt kwijt was, maar onze liefde was te sterk en we kwamen weer terug bij elkaar.
Onze liefde ging verder dan alleen dat. Onze gedachtes leken versmolten.
Maar de mensen om ons heen hadden niks door.

Mijn herinneringen vervaagde, jou gezicht verdween, het enige wat over bleef was hoop.
Ooit hadden wij elkaar gesproken. Ooit had ik jou ontmoet. Jou ogen met de kleur van saffier hadden een kracht van duizend zonnen. De warmte die het uitstraalde liet mijn hart verbranden, alleen jij had dat gekund.
Jij was immers mijn, maar onze liefde was te sterk, te sterk voor deze wereld. De haat kwam naar boven, maar de mensen om ons heen hadden niks door.

Na een tijd leek het alsof alles normaal ging. Maar ik was niet alleen, ik moest kiezen of ik bij jou bleef, of dat ik van je moest scheiden. Toen jij in het witte kwam, was mijn enige taak dat ik moest wachten, maar ik wist dat ik dat niet lang kon volhouden.
Mijn klauwen stonden op de grond, zoveel krassen in de bomen van de tijd dat ik had gewacht.
Ik liet iedereen achter alleen voor jou. Ze begonnen mij te haten voor de liefde voor jou. Maar de mensen om ons heen hadden niks door.

Zoveel nachten, zoveel dagen zat ik op deze plek. Zonder vocht of eten. Te wachten op jou, tot jij daar vandaan kwam. Het witte was iets wat ik nog niet kende, het was iets wat geen fijne sfeer met zich meebracht. Het voelde als leven, maar ook als de dood. Ik had geen vrees maar deze plek liet mij niet prettig voelen. Mijn zicht kon er niet van af houden.

Na een hele tijd komen er zinnen in je kop, gesprekken die je laat twijfelen over de gehele situatie. Of je alles moest verlaten, of dat je moest volhouden. Normaal gaat dat soort dingen vanzelf. Maar als je tegenstrijdig bent met je soort, dan had je dat soort dingen wel door.
De keuzes trekken aan je, Als een trekdrop word je uit elkaar getrokken totdat je eindelijk de keuze had gemaakt. Maar ik bleef liggen. Ook al wist ik dat er iets in mij begon te knappen.

Ook al had ik de keuze gemaakt het bleef in mijn kop zeuren om het antwoord. Het antwoord wat iedereen wilde, iedereen van mijn soort. Alsof het verboden was mijn keuze te kiezen.
Een poort naar hel waarbij demonen je aanstaren vol genoegen en wraak, dat ze alles van je ziel willen afnemen. Elke keer een stukje bij stukje probeert te verorberen tot er niks meer van je overblijft.
De liefde van haat en verlangen werden groter. De keuzes van drang naar bloed, verwarrende woorden en angst kwamen naar boven.

Vriendelijke gezichten veranderde in verdriet, met tranen van bloed dat een spoor achterliet op mijn ziel. Van hooivorken die staken in het verband van ons hart. Bevroren woorden die nooit waren uitgesproken tot iedereen zijn doel had bereikt.

Mijn drang jou te zien werd groter, en mijn ogen werden roder. Mijn vrees werd sterker ondanks ook dat uiteindelijk verdween.
Ooit meerdere stemmen tegelijk in je kop gehad? Zo ging dat bij mij.
Jouw liefde, het wachten op jou, mijn liefde, en haat. De pijn, het bloed, de honger, de dorst. Gedrag van vreemde, liefde van roekeloze wezens dat raakt in een trance. Dit was niks voor mij, maar ik zat er al te diep in.

Woorden dat vervormen in de drang naar leven, het wachten tot het goede. Vrienden die hielpen maar nooit waren, verdrongen in de hemel waar liefde veilig gebonden zat in een doek. Veilig omarmt waar iedereen van droomt, waarbij wezens zo van dromen het op te kunnen rapen. Ooit was mijn gedachte zo rustig als de nacht, waar geen enkel briesje de bladeren wat aandeden.

Na driehonderdzesennegentig dagen kwam jij daaruit, het leek alsof jij mij vergeten was. Al dat wachten, al de liefde die ik had verzameld alleen voor jou. En jij kwam terug met haat.

Je hart doorstoken, je haat verzwolgen. Mijn liefde door het hoofd geschoten. Mijn vingers onder de wijn met vleugels van pijn. De liefde verzwolgen, ondoordringbaar gelogen en oneindig gelach.
Gerichte pijn en angstaanjagend gebrul, huilende hyena’s en gedwongen liefde.
Gegrinnik van haat, oneindig gepraat, doordringbaar huid betast met druipende kaarsen. Zonder jou was dit nooit gelukt.
Jouw handen gebroken, met geen enkele spijt. Vredelievig wijn gedronken met liefde en haat.
Als stroop zo zoet als honing voor het brood dat jij had geschonken, voor liefde dat door ons verzwolgen was, dat mes wat mijn handen bezat. Wat als feit onze harten doorboorde.
De woorden in bloed geschreven, mijn sorry voor jou. Maar ik moest het doen, voor jou.

Samen verdrongen in het niets, geen hel, geen hemel, maar de drempel naar het niets. Gedachte versmolten, gedronken en verwarmt zonder warmte, geen kou en geen zon. Regen maar geen water, de kleuren zonder licht en glas zonder het zand. Waar hout zonder bomen geen liefde vind. Bedenkelijk te wachten op regels zonder orde, waar chaos zonder verwarring de vrede kon herstellen. Vissen zonder water zonder ziel zwemmen in het niets als zwart zonder duisternis kon vinden. Waar liefde en haat niet te vinden was. Waar niemand een keuze maakte in het leven of niet, het dilemma waar regels nooit aan voldoen voor onze blijdschap. Maar jij kwam erdoor heen, samen met mij. Zonder einde, zonder begin.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen