Ik zag hoe de man me af en toe voorzichtig probeerde aan te kijken door zijn achteruitkijkspiegel. Hij zag er kwetsbaar uit. Bang. 'Wat is er met je vader gebeurt? Nou... ja, als je het niet erg vind dat ik dat vraag.', stamelde de man. Ik antwoordde niet, het enige wat ik deed was de man ernstig aankijken (wederom door de achteruitkijkspiegel). Hij wendde zijn blik weer van me af en richtte zijn aandacht op het verkeer. Ik wilde onder geen enkele voorwaarde een band krijgen met deze verwaarloosde sukkel. Ik moest wel bekennen dat het best een opluchting zou zijn om met iemand over mijn vader te kunnen praten, alleen zou ik het niet aan deze kerel zijn neus hangen.
'Heb je honger?', vroeg de man terwijl hij me een koekje aanbood. Ik wees zijn aanbod bruusk af, ik zou me geen tweede keer laten vergiftigen door zelfgemaakte koekjes. De eerste keer was toen mijn vader me gebruikte als proefkonijn om zijn behekste koekjes te testen, die bleken ook nog eens echt te werken. Gelukkig (of helaas) was er een oud vrouwtje in één of ander Dreuzelziekenhuis die mijn leven wist te redden.
'Dorst?', drong de man aan. Hij wist blijkbaar al wat mijn antwoord zou zijn, want hij deed niet eens de moeite om het flesje dat naast hem op de passagiersstoel stond aan te raken.
'Wil je misschien...–'
'Hou gewoon je mond en rijdt verder, straks kom ik te laat en dan hebben we dat allemaal aan jou te danken! Doe trouwens geen moeite om me te leren kennen, ik deel niks met je!'
'Maar, ik ben de het komende jaar jouw vader...', probeerde hij.
'Het enige wat je moet doen is me naar het perron brengen en me op het einde van dit jaar terug komen halen. Een innige connectie is daar niet voor nodig!', hij besefte dat ik de dochter van mijn vader was en dat hij dus maar beter zijn mond kon houden.
Gefrustreerd wendde ik mijn blik van hem af en draaide me naar het raam. Mijn ogen vielen op een hele rij bomen waarvan de takken elkaar net niet aanraakten. Ik merkte dat de natuur zo lelijk nog niet was op al het groene na.
De weg naar het Perron leek eeuwen te duren. Gelukkig waagde de man het niet om nog meer vragen te stellen en hielt hij zijn ogen op de weg gericht. Files zorgden ervoor dat we vaak stil stonden waardoor ik in de auto's die naast me tot stilstand kwamen kon kijken.
Een jongetje van een jaar of 5 had dat blijkbaar ook ontdekt en zat me doodleuk en ongegeneerd aan te gapen. Toen hij merkte dat ik hem nogal ernstig aankeek wende hij zijn blik van me af. Ik zag nog net hoe hij een klein beertje nam en tegen zich aandrukte voor de auto verder reed. Ik kon niet ontkennen dat hij een zachte uitstraling had die zelfs mij meer betoverde dan magie, maar die gedachte zette ik al snel om in walging. Hoe kon ik überhaupt nog maar denken aan het goede van mensen.



Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen