I TOLD YOU I WAS TROUBLE WITH MY BAD BEHAVIOUR




Slapen was het enige wat Ayudar op dit moment wilde doen. Zijn ogen hadden de wens dicht te vallen elke keer dat hij knipperde. Ademhalen kostte zoveel energie, meer dan natuurlijk was. In de spiegel, die voor hem hing, kon hij zien hoe bleek zijn huid wel was. De blauwe ader die liep van zijn voorhoofd naar zijn neus was alleen maar duidelijk en een rilling liep over hem heen toen hij de woorden van een oude dame weer hoorde. ‘Door die ader, ja, die, kan ik zien dat je vroeg dood zal gaan, jongeman. Wees voorzichtig, je leven is niet iets dat je kan vergokken en later terug wint door te spelen.’ Voor hem was het echter iets als dom bijgeloof, het stond zelf op de lijst die Wikipedia had aangemaakt over het onderwerp. Maar zelfs al was het dat, het bleef al twee jaar aan hem knagen. Twee te lange jaren.
Met een zucht gooide de jongeman nog meer verfrissend water in zijn gezicht. De koudheid ervan zorgde ervoor dat hij wakker bleef. Misschien was het toch niet zo slim om de hele nacht uit te puzzelen welk stuk wie is, bedacht hij zich. Meer water maakten zijn donkere haren nat en het zorgde ervoor dat het op zijn voorhoofd bleef plakken. Alleen doe ik dat elke missie, en elke missie is geslaagd, dus dat doet deze ook.
Uiteindelijk had hij toch acht uur slaap nodig. Het maakte niet uit wanneer die kwam, als hij maar kwam. Hij moest nog de helft geven aan zijn lichaam. De zon bescheen zijn bank alsof het op hem wachtte. Het wit weerkaatste het licht terug naar buiten, en zo ontstond er een eeuwige cirkel van licht geven. Nog een verdieping naar boven lopen om op zijn bed te gaan liggen, op de stinkende, benauwde zolder, dat was te veel moeite voor zijn al vermoeide lichaam. Naar beneden lopen ging sneller. De traptrede kraakten luid en duidelijk onder zijn blote, plakkende voeten. Zodra hij de woonkamer binnen stapte en de bank er zo bij zag staan, ontsnapte een opgeluchte zucht zijn mond.
Het was een fout om verder te kijken dan het meubelstuk dat beschenen werd. De tafel ving ook de zonnestralen op. Nog steeds stond alles zoals Ayudar het had laten staan op het moment dat de klok drie keer sloeg. De donkerheid van de nacht had hem gezelschap gehouden totdat de klok aangaf dat het drie uur was. Het haalde hem uit zijn diepe gedachtegang, terug naar de realiteit en zijn moeheid had zijn tol geëist. Nu was het zeven uur, en de stukken met de foto’s stonden klaar. Het spel kon zo beginnen.
‘Het spel begint pas zodra ik mijn acht uur slaap heb gehad, Desastre,’ mompelde Ayudar voordat hij zich op de zachte bank liet vallen. Het voelde alsof hij alle moeheid van de achttien jaren op zijn schouders moest dragen. Het eiste allemaal tegelijkertijd zijn tol. Daarnaast, al een jaartje werkte hij bij de Orden, en die vermoeidheid was niets vergeleken met wat school hem die voorgaande jaren bezorgde. Leren was nooit iets voor hem geweest, niet zolang het onzin was die hij over tien jaar niet meer wist. De zijdes van een driehoek waren niet even belangrijk als het verzorgen van een wond. School was tijdverspilling, de Orden niet.
De schaakstukken staarden hem aan, zelfs via deze liggende positie. Ayudars ogen vielen dicht, en schoten daarna open. Foto’s deden hem niets. Het was voor hem slechts een manier om mensen te kunnen herkennen. Maar als zijn ogen open schoten en hij een blik op de klok werp, die hem vertelde dat hij slechts een paar minuten had geslapen, wierp hij vlak daarna een blik op de dame. Of de koningin, al wist Ayudar dat Derecho niet zo genoemd wilde worden. De bekende blauwe ogen keken nog steeds recht door hem heen, legden zijn ziel bloot.
Keer na keer gebeurde hetzelfde. Zo krijg ik mijn slaap niet binnen vier uur, maar binnen het dubbele dacht Ayudar zuchtend. De vermoeidheid leek nu niet meer actief te willen zijn. Het kon niet komen omdat het dag was, door zijn werk maakte het zijn lichaam niet meer uit wanneer hij sliep. Het ging erom dat hij sliep. En toen de rust en stilte zodanig bestond en Ayudar gewend raakte aan Derecho’s blik, kwam de slaap geruisloos.
De jongeman was een van de zeldzame gevallen van mensen die wisten wat ze hadden gedroomd, elke dag weer. Iedereen zou dat wel willen, wist hij. Weten waarom je midden in de nacht zonder geluiden wakker werd of ineens naast je bed lag, iedereen wilde tot die kennis bezitten. Alleen beschouwde hij deze kracht, zijn goede, actieve geheugen, als een vloek.
Hij was ergens waar hij het niet kende. Van af dat moment wist Aydar dat het al niet goed zou gaan. Het brein kon onmogelijk wanneer hijzelf sliep, dingen zelf maken. Hij moest hier wel eerder zijn geweest, maar het zich niet meer herinneren. Om hem heen regende het. Het geluid van regendruppels die vielen op de tegels en houten vloer omringde hem. De onregelmatigheid ervan dreef hem langzaam tot waanzin. Zijn oren dicht doen kon hij echter niet, in plaats daarvan begon hij met lopen. De duisternis die hier hing, maakte het onmogelijk meer te zien dat vijf stappen om hem heen. Zo te merken was het hier ook nacht. In zijn droom was het nacht. In de werkelijkheid was het ochtend, net tegen de middag aan. Zijn tijdsbesef zou hierdoor in de war gaan zitten, dat kon hij wel weten. Dromen was een naar iets, nachtmerries maakte zijn hersenenen alleen aan als hij gestrest was.
Was hij gestrest?
Er kwam ineens uit het niets iemand tegen hem aan lopen. De natheid had zich aan de kleding van de persoon genesteld en door de botsing nu ook aan Ayudars kledij. Verontwaardigd wilde hij iets schreeuwen dat de persoon ogen had gekregen om te gebruiken. Maar de vreemdeling had geen ogen.
Twee zwarte gaten keken hem terug aan, zonder emotie. De mond van de vreemden ging open, geluid was echter niet te horen. Vaag gingen de alarmbellen in Ayudars hoofd rinkelen, dit was alleen voor hemzelf te horen. Met ingehouden adem liep hij verder. Zijn haren gingen recht overeind staan. ‘Ik ken dat gezicht,’ mompelde hij tegen zichzelf. Voor de zekerheid wierp hij nog een blik over zijn schouders heen, maar de vijf stappen had hij al genomen.
Voor de tweede keer voelde hij een lichaam tegen zijn borst opbotsen. Nu wel voorbereid, blikte hij verder omhoog, om gehaast een paar stappen naar achter te doen. Het was geen mens. Dit is geen mens, dacht hij snel achter elkaar. Twee paar identieke ogen, helderblauw, staarden hem bewegingloos aan. Maar dat was het enige menselijke aan dit gestalte. Het was een lichaam waartegen hij had aangelopen, alleen samengesmolten met een ander. Aan de linkerkant zat een man met een gezicht die twee ogen hield, maar de neus en mond deelde met de rechterkant. Zijn blonde haren hingen er zwak bij, er was geen beetje wind die ermee speelde. Aan de rechterkant was hetzelfde zichtbaar, alleen dan in een vrouwelijke vorm. Met een mengeling van afschuw en interesse, nam Ayudar het in zich op. Als dit echt bestond, dan had de natuur geen toeval gehad. Het was interessant om te bedenken dat de linkerkant stond voor de vrouw en de rechterkant voor de man. De boog die hij eromheen nam, was groot. Een deel van hem wilde vragen hoe dit gebeurd kon zijn, wijzend naar de twee mensen. De andere helft won het echter en gelukkig. Hij wilde het contact met dit ding zo snel mogelijk verbreken.
Dat zorgde er wel voor dat hij weer tegen iemand aanliep. Deze keer verontschuldigde hij zich gehaast. Een bos krullende, rode haren stak amper een halve kop boven hem uit. Hij voelde zich klein en lelijk naast deze dame, die hem geen glimlach waardig gunde. Haar groene ogen hadden daarnaast geen helderheid, maar nog steeds zag hij schoonheid in haar. Ze ziet het zelf niet, dacht hij met een rood hoofd. De warmte die steeg naar zijn wangen, liet hij het liefste stoppen. Ik ben vast en zeker niet de eerste die zo naar haar staart.
Uit zijn gedachte werd hij gehaald toen de regendruppels stopten met tikken en de dame zelf onzichtbaar werd in de donkerheid van zijn eigen hoofd. De irritatie van hier rondlopen verdween als sneeuw voor de zon. Het was stil, een stilte die Ayudar altijd nodig leek te hebben om goed te functioneren. Dan kon zijn brein alles beter plaatsen. De kleur zwart werd traag vervangen door wit. Niet zo helder als papier was, eerder lichtgrijs, alsof het papier oud was. De schrok die door Ayuda heen ging toen hij tegen een ander opbotste, was hij al gewend. De schok die hij voelde toen hij opkeek wie het deze keer was, was nieuw voor hem.
Als een bang konijn sprong hij eerst een gat in de lucht, om vervolgens hard te landen op de koude, natte grond. Boven hem torende een onbekende uit. Twee bloedrode ogen staarden hem vol afgunst aan, of was dat zijn eigen gevoel weerspiegeld in die kijkers? ‘Wat is dit voor monster?’ vroeg hij zich hardop af. Onwillig viel zijn blik op een wit, bleek litteken, die liep van de keel naar de wang aan de rechterkant.
Zo snel als het albino mens was gekomen, voor hem een monster, verdween het weer zodra Ayudar naar achter schuifelde. Nog steeds zittend op de vloer vervolgde hij zijn weg door het donker. Hoe lang ben ik hier al? Langzaamaan drong er licht door kleine kieren, maar niet genoeg om te zien waar hij exact was. Uiteindelijk voelde hij zijn rug tegen een muur aan komen, en instinctief probeerde hij op te staan.
Een hand werd uitgestoken. Verdoofd door het aanblik van enkele seconden geleden, pakte hij het lichaamsdeel vast en hij trok zichzelf ermee helpend overeind. De aanraking voelde vertrouwd en bekend. Zijn brein liet hem echter in de steek. Dor zijn actie, werd de persoon waarvan de hand was ook zichtbaar. Nu was het niet Ayudars beurt om geschrokken te zijn, maar de ander.
Met grote, donkerblauwe staarde de persoon hem aan. Het waren de ogen van de storm, als een storm een mens was, had hij dit. De ruigheid van de persoon, die nog wel aardig leek, was een perfecte uitstraling.
‘Derecho?’ vroeg Ayudar voorzichtig. Blijkbaar was hij nog wel zo helder om iemand naam te weten.
Niet dat het moeilijk was. Er waren dagen, nee weken geweest dat deze man, toen nog een jongen, door zijn hoofd spookte. Hij jaagde hem dag en nacht na, niet met moordlustige acties, maar met lieve woorden die hem al zijn zorgen lieten vergeten. Nu, echter, stond dezelfde man hem met een opgetrokken wenkbrauw aan te staren. Zijn mond ging open, zijn tong ging over zijn lippen, een gebaar die Ayudar maar al te goed kende. Derecho wilde hem iets vertellen, iets dat lang zou duren.
De kans kreeg de enige bekende in deze ruimte tot nu toe niet. Uit het niets, alsof dit alles nog niet genoeg spook-gedoe was, sprong er iemand op Derecho’s rug. Een kleine hand werd op zijn mond gelegd, zodat hij niet kon praten. Eerst herkende Ayudar de belager niet. Maar zodra die opkeek, een kleinschalige glans speelde met de bril op de neus, ging er een schok door zijn lichaam heen. Zodra hij zich realiseerde welk aanblik hij zag, wilde hij naar voren rennen. Deze aanvaller mocht Derecho geen pijn doen. Hij was diegene die het wilde doen, na jaren vol wraaklust en plannen had hij het verdiend. Niet het brildragende, kleintje met rood haar dat alle kanten op stond.
Maar hij was versteend. Zijn lichaam wilde niet meer verder lopen. Alleen zijn ogen wilden bewegen, zich strak blijven richten op Derecho’s pogingen om te praten die werden tegengehouden. De kleur uit zijn huid verdween met de tijd hoe langer de hand op zijn mond lag. Totdat Derecho het op leek te geven. Zijn lange, slanke lichaam viel als een zoutzak op de grond, en de belager liet hem los. Zo snel hij was gekomen verdween hij weer, eng glimlachend naar de roerloze Ayudar.
Zweet druppelde op het grijze stof van de bank toen Ayudar overeind schoot. In stilte vervloekte hij zichzelf, hij vervloekte de Orden en Desastre. Ze bestonden, dat was het probleem. Hij baalde zijn handen tot vuisten totdat zijn huid zo wit was als Enojado.
‘Enojado,’ fluisterde hij de naam van het alibo monster. ‘Rico, Gemelo, Hermana, Belleza, Enojado, Derecho en…’ Hij haalde diep adem. Zijn hart leek uit zijn borstkas te willen ontsnappen, zo snel en hard klopte het. Wanneer was de laatste keer geweest dat zoveel adrenaline zijn tol eiste? Wanneer was het de laatste keer geweest dat hij zo nachtmerrie had?
‘Dulce.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen