Lucifer haalde zijn hand door zijn haren en legde de telefoon neer. ‘Die kleine moet meer manieren leren,’ murmelde hij voordat hij ging zitten op een van de tafelstoelen. Hij legde zijn hoofd op het tafelblad en staarde naar de klok. Tijd tikte niet geruisloos voorbij.
Hoe lang zou het duren voordat Dulce hier is? vroeg Ayudar zich af. Zou hij überhaupt wel komen? Ze hadden gedreigd tegen hem, dat had hij wel gehoord toen Lucifer aan de telefoon was. De moeder van Dulce had met trillend ehanden het nummer gegeven en met een grijns van oor tot oor, had Lucifer het ingetikt en gewacht totdat er opgenomen werd. De eerste keer dat het niet gebeurde, haalde hij diep adem en deed hij het opnieuw. De tweede keer dat er niet werd opgenomen, had hij via Gabriel gevraagd of het nummer wel klopte, om voor de derde keer een poging te doen. Eenmaal iemand aan de lijn, had hij gezeten op de tafel, met zijn benen zwierend boven de grond, alsof hij praatte tegen een oude vriendin, zoals meiden wel eens deden. Maar na de eerste drie zinnen was er geen spoor meer van dat te zien. Hij had boos gekeken naar de klok, naar de ouders, naar alles wat bewoog tegen zijn zin in. Aan zijn stem te horen werkte Dulce niet mee. Ze leken een gevecht te houden met elkaar zonder zich te laten aan de andere kant. Zo speelde de orden vaak of zo wilde ze eigenlijk spelen. Onzichtbaar voor de tegenstander, maar zichtbaar voor de medemensen.
Daarvoor had Casos de straten overgelopen die tussen hun slaapplaats en Dulce’s huis lagen overgelopen alsof het hun straten waren. Misschien was het wel ook zo Bendes leken te denken dat alles wat ze hadden aangeraakt van hen was. Er was geen onzekerheid of angst te lezen op de gezichten, slechts vastberadenheid in hun ogen. Het maakte de vallen onder de ogen onzichtbaar, want niemand keek ernaar. Ayudar was zich bewust geweest van alle blikken die mensen hem toewierpen. Hij liep niet in een vreemde outfit rond, niet in een houding die uitstraalde dat hij de baas was. De hele weg had hij lopen twijfelen. Hij had niet gepraat met Micheal of Rafael, had slechts voor zich uitgestraald. De Orden hoorde deze dingen niet op deze manier aan te pakken. Meneer Jef had alle moeite gedaan mensen zo te trainen dat ze het zelf op konden lossen, niet of zijn medewerkers hulp gingen zoeken bij de personen die ze juist aan moeten pakken.
Toch deed hij het nu, en hij voelde hoe zijn baas hem al boos aankeek.
Aan de andere kant; Ayudar kon het zelf ook wel oplossen. Genoeg informatie over Desastre had hij gevonden en gekregen van verschillende mensen, er moesten wel zwakke plekken zichtbaar zijn. Het was zijn baan, nota bene. Maar de aanpak had haast en bendes stonden bekend om hun snelle aanpak. Hij niet. Er zat dan wel geen deadline aan zijn missie, het voelde wel zo. En hij wist dat iedereen wilde dat hij liever vandaag dan morgen aan kon kondigen dat Desastre veilig achter slot en grendel zat.
Het zusje van Dulce staarde Ayudar al de hele tijd aan met dezelfde, grote blauwe ogen. Ze leken op elkaar: hetzelfde krullende haar dat vuurrood was, dezelfde houding en dezelfde vorm gezicht. Ze scheen niet door te hebben wat er aan de hand was, te zien aan de verbaasdheid in haar liefelijke blik. Ayudar had bijna medelijden met haar, totdat hij bedacht dat ze familie was van iemand die levens verwoesten alsof het een spel was. Dat was genoeg om van haar weg te kijken en te zien hoe Lucifer opstond.
Nog steeds vertrouwde hij de leider van Casos niet. Elke beweging die hij maakte, maakte hij alsof hij iemand bij zijn of haar kraag zou pakken om met volle kracht tegen de muur aan te smijten. Dus hij volgde hem, naar de gang, waar hij zijn mond opende om een gesprek te houden. Hij hield niet van de ijzige stilte die hing in de woonkamer, en blijkbaar dacht Lucifer hetzelfde als hem. Nog een spoortje familiebanden was zichtbaar, alleen niet genoeg om ze beiden als familie te zien.
‘Nog steeds begrijp ik niet waarom je je leven zo vergooid heb.’ Het waren zachte woorden, op de juiste toon gesproken. Met zijn armen over elkaar leunde Ayudar tegen een stuk muur aan, die wit was.
Lucifer staarde hem aan via de spiegel die er hing. Zijn groene ogen hadden de levendige glans verloren, evenals elke emotie die hij op straat had vertoond. Of het kwam door de opmerking of de sfeer in het gebouw, kon Ayudar niet zeggen. Zijn broer was ene vreemdeling geworden voor hem. ‘Ik heb ervoor gevochten, Ayudar,’ en Lucifer stopte zijn handen in zijn zakken. ‘Twee jaar lang zat ik opgescheept met een leider die alleen alles deed voor zichzelf. Hij dacht aan zijn eigen leven, niet aan anderen. Twee jaar kon een dag zijn, als het aan hem lag.’
Het was de eerste keer dat zijn naam werd uitgesproken op zo toon. Normaal zou het vol haat zijn, kiezen op elkaar geklemd en een houding die sprak dat hij geen zin had in dit soort discussies. Vroeger was het anders. Dan werd zijn naam uitgesproken op een manier die zei dat hij meer moest vertellen, om het volgende moment om te slaan in een toon die zei dat hij moest weten dat mensen huiswerk hadden, en dan teruggaand naar het eerste. Lucifer was als broer een onbegrijpelijk mens, toen al, maar Ayudar begreep het. Ze hadden allebei een doel, en wilde die nastreven.
En de leider sprak over zijn vorige leider op een toon die duidelijk wilde maken dat er genoeg haat in zijn hart was.
Toch kon Ayudar niet horen hoe hij onder de woede een andere emotie had. Eentje waarvan ieder lid van de Orden beweerde dat dit soort mensen niet meer konden voelen. ‘Zoals jij nu dus ook doet?’
Het liet Lucifer zo snel omdraaien dat alleen de vleugels een vaste vorm leken te hebben. Zijn plukken haar schoten voor zijn ogen, maar hij liet ze daar zitten. De blik in zijn ogen was terug naar af. ‘Nee,’ en hij stapte weg van de spiegel om naar Ayudar zelf te lopen. ‘Vanaf het moment dat ik het mes tegen de keel van Xavier kon houden en hem heb gedwongen de woorden te zeggen, te zeggen dat ik vanaf nu de leider was, de enige, echte Lucifer van Casos, van Amm, heb ik besloten alles in het belang van zowel mezelf als mijn leden te doen.’ Hij prikte met zijn wijsvinger op Ayudars borst. ‘Wat inhoudt dat ik ook deze missie laat verlopen zonder doden en gewonden aan Casos’ kant. En de rest kan mij niet schelen.’
Met gefronste wenkbrauwen keek Ayudar naar de vinger. Hij schudde zijn hoofd en opende zijn mond alweer. ‘Nog steeds verwoest je levens van anderen.’
‘Wat zei ik net?’ Lucifer stapte terug. ‘De rest kan mij niet schelen. Ben je doof geworden?’
Toen liep hij weg op een sierlijke manier. Niet als een danser, maar als een vechter, een persoon die het woord opgeven niet in zijn woordenboek had. Achter de muur met de spiegel verdween hij, en Ayudar wist dat daar de slaapkamer was met een raam die uitzicht bood op de omgeving. Vast en zeker wilde hij kijken of Desastre eraan kwam. Of hij had ruimte en tijd nodig, al zou hij er eerder voor zorgen dat hij het kreeg, zelfs al was het niet mogelijk.
Zuchtend liep Ayudar uiteindelijk terug naar de woonkamer om terug te gaan zitten op de stoel van eerder. Lucifer gaf hem alweer de houding van een eigenwijze tiener die beweerde dat school geen nut had. Dat er alleen maar onzinnige informatie in zijn hoofd werd gezet, terwijl hij andere dingen te weten wilde komen die volgens hem wel nuttig waren. Dingen over Amm, over de straten, over de gebouwen en de inwoners. Dat had hij in zijn vrije tijd bestudeerd, om het nu tegen iedereen te gebruiken. Hij was de kaart van Amm die alleen criminelen gebruikte.
Er was verder niets veranderd. in de woonkamer, tot de teleurstelling van hem Dulce’s ouders zaten nog steeds gezamenlijk op de bank, dan wel iets dichter tegen elkaar aan dan voorheen. Ze waren zonder waarschuwing binnengekomen. Het slot had Uriel geen moeite gekost. Natuurlijk had het geluid gemaakt en als eerste waren ze tegen de vader tegen gelopen. Lucifer had zijn rug gerecht en hem opzij geduwd, alsof het niets was. Met een blik die voor doden zou kunnen zorgen had hij het huis doorzocht, op zoek naar dingen die Dulce dierbaar waren. Dat waren zijn woorden geweest. na een klein halfuur was hij teruggekomen met niets in zijn handen. Toen had hij verteld waarom ze hier waren met een stem die de ramen uit elkaar wilde laten barsten en de muren wilde laten instorten, zoveel kracht en woede had hij erin gelegd. De ouders leken verbaasd te zijn, beweerde dat hij voor hun neus leugens zat te vertellen, maar Lucifer had Ayudar het verhaal nog een keer laten uitleggen, alleen uit het perspectief van de Orden, en de ouders bleken hem wel te geloven.
Nu zaten ze als een oud getrouwd stel tegen elkaar aan, met het kind op beiden schoten te staren naar hoe Rafael en Gabriel met elkaar in discussie waren over iets dat onbekend was in Amm. Ayudar kon het niet volgen, al was het luid en duidelijk. Op de TV, die niet uit was gedaan door iemand, was een vage aflevering te zien van een drama-programma. Hij staarde ernaar, nog steeds niet begrijpend wat alles inhield. Hij kende deze mensen niet, zat in een huis vol vreemde, en hij beweerde dit te doen in de naam van de Orden, een van de krachtigste namen van de wereld. Brutus had dit beter kunnen doen, met zijn houding, dacht hij.
Na een tijdje kwam Lucifer naar beneden lopen en ging zwijgzaam terug op zijn stoel zitten Hij klooide met zijn handen en nagels en een stuk papier dat op de tafel lag. Snippers vielen als sneeuw op de grond en hij veegde ze met zijn voet helemaal onder de tafel. Michael kwam naast hem zitten, om op fluistertoon iets te bespreken. Zo af en toe kon Ayudar een woord opvangen, om ook tot de ontdekking te komen dat dat onderwerp hem niet aanstond.
Uit het niets stonden de twee leden op en liepen de gang in, waar geluiden van sleutels en stemmen te horen waren. De spanning in de woonkamer werd nog erger, de druk van leven en dood kwam hoger te staan. De familie begon onrustig te fluisteren, terwijl Rafael wegliep van Gabriel om ze tot stilte te roepen. ‘Wat is het toch een mooie dag om je tegen te komen, en ook nog op een gezellige plek,’ klonk de spottende toon van Lucifer. Michael leunde tegen de deurpost aan, zijn vriendelijke kant verborgen onder de jacket, die hij nu wel goed droeg. ‘En waag het niet om hem te slaan, dat gaat voor een gevecht kosten die goed zou eindigen voor je, dat beloof ik wel.’
Elke persoon die Ayudar kende, was veranderd. Ze waren niet meer de personen waarbij hij een avond had doorgebracht onder een dak dat lekte, zelfs al regende het niet meer. Ze waren op dit moment echter een genadeloze benden die bekend stond als de herrieschoppers van de stad. Jongvolwassene die levens verwoesten uit verveling, zonder dat het ze iets opleverde. Het ging om het geld en om de littekens. Die lieten zien aan de rest van de wereld dat ze hier de baas waren.
Alles hieraan gaf hem rillingen. Waarom zat hij hier? Waarom had hij het niet gedaan op zijn manier? Zo moeilijk was die niet, hij deed het al minstens twee jaar. Mensen wisten hoe hij problemen oploste, ze kenden deze kant van hem niet. En nu liet hij hem zien, in het bijzijn van normale burgers, die heel anders naar hem zouden kijken als dit afgelopen was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen