Foto bij The run

Ik bleef me 3 dagen aan de afspraak houden. Ik hield me stil in mijn kamer en ’s nachts ging ik buiten op krachten komen en genoot ik van de frisse lucht. De tijd in mijn kamer bracht ik vooral al lerend en schrijvend door. Ik was me sinds 3 dagen bewust van de nachtmerries en dromen die ik had. Wanneer ik schreeuwend wakker werd of wakker schrok, kon ik niet meer terug in slaap vallen, dus scheef ik alles op dat in onthield. Ik schreef alles op in een leer gebonden zilver boekje. Dit had ik vorig jaar van Draco gekregen maar nooit gebruikt.
Ik was niet van plan om te wachten tot ik uit mijn kamer mocht van mijn vader. Mijn hele leven was hij niet aanwezig om mijn vader te zijn en nu zou hij dat dan plots wel mogen zijn. Oké, hij is Voldemort maar toch, ik ben niet bang van hem! Ik stond op van uit mijn zetel waar ik juist had zitten in schrijven en ging naar mijn dressing. Helemaal achteraan vond ik een zwarte rugzak. Die koffers vond ik niet handig en had een rugzak aan Lucius gevraagd. Voor als ik ooit eens naar Zweinstein mocht gaan. Ik groef van alles uit mijn dressing van makkelijke kleren. Broeken, T-shirts, topjes, bloesjes, kleedjes, … en mijn groene jas die zowel geschikt was voor ijzige winters als bloedhete zomer. Iets wat ik zelf had gemaakt via de spreuken en toverdranken die ik van Lucius en Narcissa had geleerd. Mijn makkelijke botjes deed ik aan met een spijkerbroek en een rode T-shirt en zwarte trui. Hierover trok ik mijn groene jas. Van mijn bureau nam ik mijn sleutel van mijn kluis, een kluis bij Goudgrijp die gevuld was door Lucius en waar verder niemand iets van wist. Ik had de sleutel vorig jaar cadeau gekregen. Verder stond er een klein doosje met wat juwelen die ik ook meenam in mijn rugzak. Wat klein gerief uit enkele schuiven begin ik mee te nemen toen ik op een zakje stuitte. Een zakje dat ik niet meteen herkende maar nam het wel mee. Ik zou er later wel naar kijken. Wanneer ik alle mee had genomen wat ik wou deed ik mijn rugzak aan en zette mijn tijgertje op mijn schouders.
Achter mijn zetel was er een raam dat open kon. Hierdoor ging ik naar buiten en kroop via de regenpijp omhoog naar het dak. Het was geen makkelijke klim maar ik wou zo graag weg dat het me lukte. Aan het westen stond er een boom tegen het huis waarmee ik naar beneden kon geraken. En verder was het kinderspel. Achter in de struiken was er een kleine doorgang waar ik als klein kind al door kroop om even weg te kunnen. De tunnel was smal maar het lukte. Wanneer ik van het erfgoed van de Malfidussen was, verdwijnselde ik naar de wegisweg. Het voelde raar om hier te zijn. Het mijn eerste keer maar ik voelde me er goed. Het was aangenaam om onder andere tovenaars te zijn. het voelde aan als thuis.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen