Proloog
“Eens een boom ziek is, moet hij geveld worden voordat hij de andere besmet,” zei mijn vader. Hij had mij voor het eerst meegenomen naar zijn werk. Vol verwondering keek ik rond me. Deze boomgaard was stukken groter dan die waar ik voorheen gewerkt had.
In de verte kwam een groep mannen aangelopen. Zodra mijn vader hen zag, zwaaide hij. Ik probeerde me achter zijn been te verstoppen, maar hij nam mijn hand vast en hurkte naast me neer.
“Dit zijn mijn vrienden,” zei hij. “Ze kijken ernaar uit om je te ontmoeten.”
De mannen waren nu dicht genoeg om hun spieren te kunnen zien. De meesten hadden hun bovenlijf ontbloot en droegen een bijl op de schouder. Ik hield mijn vaders hand stevig vast terwijl ze naar me toe kwamen.
De eerste man knielde naast mij neer. Desondanks torende hij nog steeds boven mij uit. “Dag Bes, mijn naam is Lino. Heel fijn om je te ontmoeten,” zei hij met een zachte stem.
“Dag Lino,” antwoordde ik. Daarna verschoof mijn blik naar de bende achter hem. "Zijn jullie allemaal de vrienden van papa?”
Lino lachte, stond weer op en wierp een blik op zijn ploeg. “Ja. Wij werken samen met hem, maar we zijn ook vrienden.”
“Zoals ik en Shallot?” Vroeg ik. Shallot was mijn beste vriendin. Ze werkte bij mij op de boomgaard en na het werk gingen we altijd samen spelen.
“Precies. En nu jij hier ook werkt, zullen we ook jouw vrienden worden,” antwoordde Lino.
De andere mannen vielen hem bij, sommige met geheven bijl, wat mij achteruit deed deinzen.
Een tweede man maakte zich los uit de groep om naast mij te komen staan.
“Je moet niet bang zijn voor de bijlen, dit zijn ook onze vrienden. We weten heel goed hoe we ze moeten gebruiken,” zei hij.
“Wil je het ook eens proberen?” Riep een derde.
Lino leek daar minder enthousiast over. “Kalmte, jongens, we willen niet dat ze zich bezeert. Oliver, zoek jij ons een goede boom uit om mee te beginnen? Dan zal ik met Rowan zijn dochter leren hoe ze een bijl gebruikt.”
“En waarom mag jij dat doen?” Onderbrak een man genaamd Ash. Lino had hier geen antwoord op.
Ik kreeg een bijl in mijn handen geduwd, maar liet die meteen vallen. Hij was echt zwaar. Een van de mannen raapte hem op en gebaarde dat ik hem moest volgen. Samen met mijn vader liepen we het veld in.
“Hoe heet jij?” Vroeg ik.
“Nash,” antwoordde de man.
“Jij bent heel sterk, Nash,” zei ik kijkend naar de twee grote bijlen in zijn handen.
Hij grinnikte. “Ik denk dat ik jou er nog met gemak bij zou kunnen dragen, hoor.”
Met ogen vol verwondering keek ik hem aan, maar veel tijd kreeg ik niet om aan zijn woorden te twijfelen, want voor ik het wist had mijn vader me opgetild en op Nash's schouders gezet. Die begon iets voorzichtiger te lopen, maar toonde geen spoor van vermoeidheid.
“Hou je je stevig vast?” Vroeg hij alleen maar.
Toen we bij een relatief dunne boom kwamen, werd ik neergezet. Ik mocht het uiteinde van de bijl vasthouden terwijl mijn vader langzaam begon te hakken.
“Doet dit de boom geen pijn?” Vroeg ik.
“Natuurlijk niet. We zorgen er juist voor dat ze geen last meer heeft van haar ziekte. Ze heeft heel haar leven lang gewerkt, en nu mag ze gaan liggen om te rusten.”
Dat antwoord was alles dat ik nodig had om mijn taak als haksistente extreem serieus te gaan nemen.
Zodra er een kleine gleuf in de boom verscheen, overhandigde hij zijn - of beter onze - bijl aan Nash, die met enkele stevige halen tot het midden van de boom doordrong. Dan stopte hij even.
“De boom zal straks naar deze kant vallen,” legde hij uit. “Het is heel belangrijk dat je er dan niet onder staat.”
Terwijl Nash zijn uitleg deed, tilde mijn vader me weer van de grond en deponeerde mij op een stevige tak in de buurt. Voordat Nash aan de andere kant van de boom begon te hakken, keek hij een laatste keer of ik nog op mijn tak zat. Dan volgden enkele goed gemikte slagen en een oorverdovend gekraak. Het vallen van de boom was het meest indrukwekkende dat ik ooit gezien had.
Enkele van de mannen kwamen helpen om de boom in kleinere stukken te zagen en op een grote kar te laden. Ik wilde helpen, maar kon niet zo hoog tillen. Iemand zette mij op de boomstronk, maar ik sprong er meteen weer af.
“Het is oké hoor, je hoeft hier niet mee te helpen, jij kan onze mascotte zijn,” zei de man.
Giechelend klom ik weer bovenop de boomstronk en bleef daar zitten terwijl zij de kar naar een grote verbrandingsoven trokken.
Reageer (1)
Dat is zo adorable awhh tiny Bes is such a cutie aahh