Foto bij 1. Unknown Magic

Dawn Fergussons Identity;
Naam: Dawn Fergusson
Leeftijd: 14 Jaar
Woonplaats: Ligusterlaan 44
Uiterlijk: Lichtbruin haar met blonde highlights, felgroene kattenogen, slank, 1.71 meter
Karakter: Lief, koppig, sociaal, eigenwijs, vrolijk, behulpzaam, betrouwbaar, creatief, slim, egoïstisch, druk, moedig, spontaan,
Ouders: Anthony Fergusson & Ava Marshall
Schooljaar: 4e jaar
Afdeling: Griffoendor
Dawn Fergusson is één jaar jonger dan Harry Potter en al zijn vrienden.

Een leven loopt niet altijd zoals iemand het wenst. Daarvoor dient het lot, dat opgeschreven staat door God. Een leven neemt verschillende en dikwijls ongewilde gruwelijke wendingen. Maar mensen nemen dat er allemaal bij, omdat het leven iets speciaals is. Het leven is iets dat niet aan iedereen gegund wordt en daardoor moet je ervan genieten en niet achterom kijken. Je moet met open ogen naar het heden en de toekomst lopen.

“Dawn, opstaan!” Ik open geïrriteerd mijn ogen en staar naar het vaalwitte plafond. Weer eenzelfde saaie morgen, met dezelfde routineklusjes. Ruby komt zacht over mijn voorhoofd getrippeld en blijft daarna stil op de bedrand zitten. Ik kleed me vlug aan - pyjama omwisselen voor mijn grijze kleedje met ballerina’s - en storm daarna gehaast de trap af zonder mijn haren te kammen. De vlecht van de vorige ochtend ligt nog steeds losjes over mijn schouder gedrapeerd. “Wat zie jij er weer slordig uit. Moet ik je zo achter mijn dochter sturen?” Ik blijf verbaasd op de onderste trede staan en draai dan verwoed met mijn ogen. “Het spijt me mevrouw de barones, maar ik zal inderdaad zo achter mijn o-zo lieve nichtje gaan.” Het sarcasme spoot er vanaf en dat was mijn tante uiteraard niet ontgaan. Ze geeft me een redelijk harde tik op het achterhoofd en sleurt me dan de garage - waar mijn fiets tegen de muur staat - in. “En maak maar dat je op tijd terug thuis bent, want anders zwaait er wat.” Ik knik en rij daarna op sneltempo de straat uit, op weg naar de school van mijn nichtje - Anna.

Op de terugweg staar ik de hele tijd verveeld naar de bomen die voorbij komen. Er wordt nooit iets gezegd op de terugweg, niet van mijn kant, niet van Anna’s kant. “Ik ga nog even naar het pleintje, naar Marie en Amélia. En ja jij moet mee, je weet wat mijn moeder anders met je doet.” Ik kijk verdwaasd op en even weet ik niet wat er gebeurd was. “Sinds wanneer praat jij tegen mij? En ja, ik ga wel met je mee.” Anne begint sneller te fietsen en zwaait uitbundig naar de twee vriendinnen die zitten te wachten op het houten bankje. Ik zet mijn fiets tegen het klimrek en ga helemaal bovenaan zitten. Mijn ogen flitsen over een klein meisje op de schommel, een hond die zijn behoefte doet tegen een paaltje en enkele jongeren die bijeen staan gehoopt aan de dennen. “Nu ben je niet meer zo fel hé Potter! Buiten de muren van je veilige thuishaven.” De drie jongens die de andere aan het treiteren zijn, trekken hem van de bank af en beginnen hem weg en weer te duwen binnen het groepje. Ik spring van het klimrek af en loop op de jongeren af. Mijn voetstappen verraden me en meteen wenden drie blikken zich naar me toe. “Laat hem toch met rust!” Ik moet echt leren mijn mond houden. De drie jongens komen op me af en de ene neemt de leiding. Ze staan in een driehoek voor me, net als een bende vogels die naar het zuiden vliegt. De blonde jongen neemt mijn rechterarm vast en nog een andere mijn middel. Ik sla furieus met mijn armen en benen en voor ik het echt besef vliegen de twee jongens door de lucht. “En nu jij nog!” Ik wijs met mijn linkervinger op de jongen met het bruine haar en ook deze vliegt met een kleine knal tegen een den net achter de bank.

De drie jongens kijken me geschrokken aan en lopen alle drie dezelfde kant op. “Harry, aangenaam.” Ik glimlach vriendelijk en ook op zijn gezicht verschijnt een kleine lach. “Dawn.” “Ben jij ook een leerling op Zweinsteins magische school? Ik heb je daar nog nooit eerder gezien, het spijt me.” Ik kijk Harry vragend aan en staar ongewild naar het bliksemvormige litteken op zijn voorhoofd. “Sorry, die school ken ik niet.” Hij knikt en ik zie angst verschijnen in zijn zwarte pupillen. “Ik moet gaan. Ik zie je wel weer.” Hij knijpt bemoedigend in mijn schouder en snelt daarna het pleintje over. Verschillende vragen spoken als zielen die geen rust hebben kunnen vinden door mijn gedachten. Het was niet de eerste keer dat dit gebeurde. Dat ik mensen kon doen bewegen of door de lucht vliegen zonder dat ik het onder controle had. Toen ik zeven was, had ik mijn nichtje van zes eens in een boom gezet, alleen door mijn ogen op haar vast te klemmen. Mijn tante was woedend geweest en ik had een hele dag in het bezemhok doorgebracht. Zonder Ruby en Sneeuwbal, mijn steun en toeverlaten. Ik loop naar Anna, neem haar pols beet en sleep haar mee naar de fietsen. “We gaan naar huis, zonder tegenpruttelen. Je moeder zal wel al ongerust zijn.” Na nog geen vijf minuten fietsen komen we aan en Anna moet meteen tegen Catherine beginnen zagen over mijn gedrag. Ik doe alsof ik het allemaal niet in de gaten heb en loop met tranen in mijn ogen naar boven. De deur in het slot en de muziek zo stil mogelijk, zodat ik de enige ben die hem hoort.

Reageer (2)

  • Cloudburst

    jij schrijft supermooi!

    1 decennium geleden
  • TonyStar

    SUUUPERRRRR(flower)

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen