Leipzig - Duitsland, 1 september 1945

Ze kunnen zo binnenkomen. Angst wordt meester van me. Rillend kruip ik onder de oude sprei die mijn oma voor me gemaakt had. Wanneer zouden ze komen? Gisteren hebben ze een naburig stadje aangevallen, platgebrand. Het dodenaantal blijft maar oplopen, de teller staat op tienduizend doden, zou dit stoppen? Zelfs in Duitsland worden mensen vermoordt. Neen, niet door Hitler, door de Britten. Ze denken dat elke Duitser slecht is. Ik heb nog nooit iemand gekend die zo’n vertekend beeld had van de mensheid.

Een klop op de deur doet me opspringen uit de zetel. Ik sluip naar de deur en kijk door het kijkgaatje. Als ik het gezicht van Thomas zie haal ik opgelucht adem en open de deur op een kier.
“Wat is er?” ik fluister. In dit appartement hebben de muren oren.
“Ze zijn hier Sara! De Britten! Ze hebben politici te pakken genomen! Degene die verdacht worden van samenzwering met Hitler. Ze hebben mijn vader! Ik ben zo bang!” Na deze woorden laat ik hem binnen. Thomas’ vader is een politieker en nu is hij bang dat ze hem ook gaan oppakken.
“Hier, bekom een beetje,” zeg ik en geef hem een tas dampende thee. Nadat ik de deur weer op slot heb gedaan loop ik weer naar de woonkamer en samen kruipen de onder de sprei.

Uren zitten we in dezelfde houding tot we buiten geweerschoten horen. Het is nu 4 uur ’s nachts. Het is lang geleden dat er nog eens een aanval was ’s morgens.
“Melanie,” fluistert Thomas. Melanie is zijn 3 jaar oud dochtertje. Ze is even oud als Hope, mijn dochter.
“Haal haar snel, dan leggen we haar bij Hope,” zei ik en deed de deuren los. Toen hij de deur uitging keek hij me lang aan, met tranen in mijn ogen. Ik weet wat we beide denken. De soldaten kunnen alle momenten binnenkomen. Net zoals twee jaar geleden. Mijn man en zijn vrouw waren zakenpartners toen we beiden nog in Dresden woonden. Ze hadden een succesvolle tapijtenwinkel. Op een dag werd die overvallen door de Britten, 2 jaar geleden. Beiden op slag dood. Sinds dien zijn ik en Thomas beste vrienden en elkaars steun en toeverlaat.

Pas als Thomas weer terug is kan ik opgelucht ademhalen. Melanie slaapt nog. Dat is iets waar zij en Hope gelijk zijn, ze slapen als een roosje. Niets kan die kleine wakker krijgen. Zelfs geen bommen…
Thomas volgt me naar Hopes kamertje. Het is in zachte lila tinten en houten meubels in zacht hout. Maar wat er het meeste opvalt zijn de vele knuffeltjes die ze heeft. Ze kan er bijna in zwemmen. Ach ja, daar heeft een klein kind nooit genoeg van. Hope ligt nog te slapen en merkt het niet als we Melanie erbij leggen. Ze zal het vast niet erg vinden, het zijn beste vriendjes. Hen zo zoet zien slapen, doet me aan Michael denken, mijn man. Wat had ik graag gehad dat hij hier was om me gerust te stellen. Mijn handen omklemmen het zilveren medaillon om mijn nek. Wat mis ik hem zo. Toen hij stierf was het alsof mijn wereld onder mijn voeten wegschoof. Het enige wat me nog in leven hield was Hope. Voor haar heb ik gevochten. Ik voel hoe Thomas me de kamer uittrekt.
“Gaat het wel?” zijn stem klink bezorgt.
“Ik mis hem zo!” snik ik. Plots kan het me niet meer schelen, plots wil ik me niet meer sterk houden. Ik wil enkel huilen. Grote gespierde armen omsluiten me. Zijn warme omhelzing doet me goed. Thomas drukt een kusje op mijn kruin. Ook bij hem weegt het verlies zwaar, maar hij weet zich overeind te houden. Wat hem lijkt te lukken.

Drie kloppen op de deur doen ons op opschrikken.
“Ik ga wel,” Thomas staat op. Ik wil zijn hand niet loslaten, wie zou het zijn? Het leger? Ik hoor de deur van het slot gaan en bang houd ik mijn adem in.
“Is Sara hier?” het hoge stemmetje van mijn beste vriendin Melissa klinkt bang. Thomas laat haar binnen. Al maanden heb ik haar niet gezien, daarom schrik ik ook van haar bolle buik.
“Oh Melissa!” huil ik en geef haar een knuffel. Ik was zo bang haar nooit meer te zien.
“Sara,” zei ze opgelucht,”Ik was zo bang.”
“Wij allemaal.”
“Meid, er zijn bommenwerpers onderweg naar Leipzig,” mijn wereld lijkt neer te brokkelen.
“Bo… bommenwerpers?” tranen staan klaar in mijn ogen. Ze knikte bang.
“Binnen 2 uur zijn ze hier. Ik wou… ik wou nog even met je doorbrengen.”
“We gaan niet dood!” zei Thomas stug. Zijn vertrouwen in het leven was te groot om zomaar met de grond gelijk te maken. Als ik maar een grammetje van zou hebben.
“Weet je al wat het zijn?” vraag ik om het onderwerp elders op te brengen. Al deze doem is niet goed voor een mens en zijn vertrouwen in de staat. Ze knikt,”Een jongen en een meisje.”
“Wel, laten we voor hen vechten en hopen. Opdat zij nog een goed leven zullen hebben.” Stilte heerst in de kamer en minuten tikken voorbij. De klok slaat 7 uur aan. Hope zal zo wel wakker worden. De spanning is te snijden in de kamer.
“Mama!” ik hoor Hopes stemmetje vanuit de kamer. Niet lang daarna treed Melanie bij met papa. Ik en Thomas staan beiden op.
“Goedemorgen zonnestraaltje,” probeer ik vrolijk te zeggen, maar vandaag wil het niet lukken. Het is het naderende onheil dat me dwarsboomt. Vandaag is het 2 september en de oorlog is nu officieel 6 jaar en 1 dag bezig. Er lijkt maar geen einde aan te komen. Zal ik Hope nog zien opgroeien? Die vraag spookt al dagen door mijn hoofd een. Ik til Hope uit bed en stop haar in haar parkje in de woonkamer. Melanie volgt haar voorbeeld. Al snel spelen de 2 lieverds gezellig met elkaar.

Dat is een van de tekenen dat het leven voortgaat, ook al is het oorlog.
We wachten uren maar de vliegtuigen komen niet over. We besluiten de televisie op te zetten, om te kijken wat voor onheilspellend nieuws op is. Tot onze grote verbazing horen we verlossende woorden: Er is een wapenstilstand ingelast. De oorlog is voorbij

Reageer (1)

  • Florets

    Whoow zo anders maar zo goed!

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen