Foto bij H4

*likt aan ijsje* Het is warm.

Dankje Sundanceke, (flower).

Ik voel me vies. Vieser dan ooit. Oke, ik waste me bij mijn vader thuis ook nooit, maar dát lag aan mijn vader. En als hij zich vol gezopen had kon ik altijd wel even me wassen.
Ik buig me voorover bij een snel stromend riviertje, het water is lekker koel en vris. Ik kan niet wachten om er in te baden. Langzaam trek ik mijn bezweette vieze kleding uit en ik maak een mooi stapeltje op de kant. Dan ga ik het water in, het is zoals ik al dacht lekker koel om mijn lichaam. Ik zwerf nu al iets van 10 dagen rond, en ik overleef het prima. Als ik honger heb pluk ik paddestoelen en bladeren, en tot nu toe heb ik goedgegokt over gifstige planten. En als ik dorst heb vind ik een beekje, zoals deze.
Lanzaam baad ik naar voren, zodat alleen nog maar mijn hoofd boven water is. Mijn lange zwarte haar drijft om me heen in het water. Dan haal ik diep adem en duik ik onder. Ik gris een handje zand van de bodem en kom dan weer boven water, met het handje zand begin ik mijn lichaam schoon te schrobben. Ik voel de viezigheid van mijn lichaam gaan en mezelf schoner worden. Van genot sluit ik mijn ogen even, kijk zo is het leven bedoelt, vrij en ontspannen. Lekker schoon...
Ik blijf nog even in het water maar dan waad ik naar de kant en pak mijn kledig. Ik ga weer het water in en was de kledig door er ook met zand over heen te gaan. Dan hang ik mijn kledig op aan een boom en pak mijn deken. Ik wikkel die strak om me heen en ga liggen onder een boom. Ik kijk wel even rond, die vogel die ik in mijn eerste nacht zag lijkt me te achtervolgen, ik vind het griezelig. Ik pak een stukje brood, het is nog maar heel erg weinig, en ik probeer vooral vieze dingen te eten, maar ik kan mezelf nu even niet inhouden. Ik pak mijn veldfles en neem een grote slok, ik vul de fles straks wel weer bij. Dan sluit ik mijn ogen.

Ik trek mijn kledig weer aan, ze zijn lekker gedroogt in de zon en zijn ook weer enigzins schoon. Ik rol mijn deken op, en ik kijk naar het beekje, waarom blijf ik niet gewoon hier? Ik aarzel, ik heb een goede reden om niet hier te blijven. De het is zomer en ik zal de winter niet over leven. Ik moet een dorp vinden. Ik pak mijn spullen weer op en begin te lopen, met de rivier mee. Ik zal vandaag weer eten moeten vinden, want mijn voorraad bessen en paddestoelen zijn op.
Terwijl ik langs de rivier loop merk ik dat er ogen op me gericht zijn, ik draai me om en ik kijk in die rode grote ogen. Ik weet nu wat voor dier het is, het is een oehoe. Ik ben blij dat mijn vader me tenminste heeft geleerd wat alles is voor mijn 12e. De oehoe, houd me al deze dagen sterk in de gaten. Maar ik begin hem gewend te raken.
Diep nadenkend heb ik niet door dat de bomen minder dicht op elkaar beginnen te staan, het wordt ook lichter. Maar pas als ik tussen de bomen uit stap heb ik door dat ik niet meer in een dichtbos loop, ik sta aan de rand van een dorpje.

Reageer (1)

  • dineniel

    tis nix hoor
    echt veel te warm ma tis zomer é
    *stiekem jaloers op ijsje*
    is ze soms verbonden met die oehoe ofzow
    miss kan hij haar dan helpen;)
    snel verder(A)

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen