Foto bij Creative Writing Competition PercyWood - Opdracht 2 - Fout

De opdracht:
Jullie zijn allemaal ingedeeld bij een personage uit een boek, televisieserie of film. Er is de hele tijd bij gezet of het goed om een boek, film of serie en welke.
Het is de bedoeling dat jullie voldoen aan een aantal eisen bij deze opdracht:
1) Het aangewezen personage is de persoon van waaruit je schrijft in Ik-perspectief.
2) Je voegt zelf een tweede, bestaand personage toe uit de serie.
3) Dat tweetal zijn je hoofdpersonen en zijn de enigen die er echt toe doen.
4) Het moet duidelijk zijn wie je als tweede persoon hebt toegevoegd zonder dat bovenaan te hebben gezet.
5) Je hebt een maximum van 1500 woorden.


Mijn personage was Oliver Wood uit het boek Harry Potter and the Goblet of Fire.

Er heerste chaos op de kampeerplaats. Het was donker, iedereen liep door elkaar heen en ik kon mijn eigen gedachten nauwelijks horen boven het gegil en gekrijs uit. Mensen liepen van links naar rechts en weer terug, en ik was me er vrij zeker van dat ik tenminste één vrouw al vier keer had zien passeren.
      Dit was fout. Zo hoorde het niet te gaan.
      Er trok iemand aan mijn arm. Ik keek om en zag dat het mijn moeder was, met een bleek gezicht en paniek in haar ogen. Diezelfde verstikkende angst en verwarring hingen sterk in de lucht. Ik kon het bijna proeven, bitter en scherp, maar bovenal was het heel goed voelbaar. Zelf bleef ik echter verbazingwekkend kalm onder de aanstekelijke massahysterie. Ik was vooral verontwaardigd dat de Death Eaters het lef hadden om bij een Quidditch wedstrijd op te duiken.
      Het was niet eens zomaar een Quidditch wedstrijd, maar de World Cup. Dit was zo ongelofelijk fout, en niet alleen vanuit mijn perspectief als Quidditch fanaat.
      Ik liet me meesleuren door mijn moeder, al was het meer om haar een plezier te doen dan omdat ik dacht dat het enig nut had om weg te lopen. De Death Eaters waren momenteel aan de andere kant van het veld, dus waren we voor onze eigen tent net zo veilig als waar dan ook. Als ze echt waren gekomen om iets anders te doen dan paniek te zaaien, zouden ze dat inmiddels waarschijnlijk ook wel al volbracht hebben. De enige logische conclusie die ik daaruit kon trekken was dus dat het beter was om rustig de gebeurtenissen af te wachten dan om praktisch verblind door emotie de ongecontroleerde mensenmassa in te stormen. Het gevaar doodgedrukt te worden was waarschijnlijk reëler dan het idee dat iemand uit het handjevol gekken in maskers je zou pakken.
      Merlin. Dat klonk logisch, en het ging niet eens over Quidditch. Nee, vergeet dat, het klonk niet gewoon logisch - het klonk als iets dat Percy zou zeggen. Dat was beter dan logisch.
      Terwijl ik onder de duistere hemel achter mijn moeder aan liep, half rennend, vroeg ik me opeens af waar Percy zich op dat moment zou bevinden. Voor het eerst voelde ik iets anders dan stoïcijnse verbijstering en een lichte irritatie over de manier waarop deze avond zich had ontwikkeld. Het duurde even voordat ik me besefte dat het angst was. Ik was bang. Niet om mezelf, maar om Percy.
      Mijn moeder was gestopt met lopen en ik zag dat we bij de bosrand waren uitgekomen. Ik was even gedesoriënteerd, want ik had niet gemerkt dat we al zo ver waren gelopen.
      Ik boog me naar mijn moeder toe om me verstaanbaar te kunnen maken. “Ik moet weer terug,” schreeuwde ik haast in haar oor.
      De greep van haar hand op mijn pols verstevigde. “Waarom?” riep ze terug.
      “Misschien kan ik helpen.” Het was geen leugen, al was het ook niet de hele waarheid.
      Ze leek te aarzelen. Even was ik bang dat ik me misschien los zou moeten trekken, maar toen liet ze me gaan. “Wees voorzichtig.”
      Ik knikte, draaide me om en probeerde tegen de looprichting in weer het tentenkamp in te komen. Zodra ik eenmaal de eerste heftig tegenstribbelende stroom had overwonnen, werd het een stuk gemakkelijker om me vrij te bewegen. Er waren zoveel mensen naar de omringende stukken woud gevlucht dat het bijna leeg was op grote gedeelten van het terrein. Toen kwam echter pas het werkelijk moeilijke gedeelte: Percy vinden. Wat zou hij hebben gedaan toen de crisis begon? Waar zou hij heen zijn gegaan? Het eerste probleem waar ik tegenaan liep was dat ik nog zo goed op die twee vragen kon antwoorden, maar dat het me toch niet zou helpen. Ik had immers geen flauw idee waar ik me bevond.
      Door immens toeval - of misschien wel door het lot, of een of andere hogere macht die een zwak heeft voor Quidditch spelers - verscheen er net toen ik nog een paar stappen van een kruising af was een bekend figuur op de hoek. Hij hield zijn toverstok gereed en in het donker kon ik enkel zijn omtrek herkennen, maar als dat nog niet voldoende zou zijn geweest had zijn stem hem wel verraden. “Wie is daar?”
      “Vervloek me niet, Perce, ik ben het maar.”
      “Oliver? Wat doe jij hier nou?”
      Wat moest ik daar nou weer op antwoorden? Eigenlijk wist ik het zelf niet eens echt. “Niks?”
      Door de toegevoegde schaduw van de tent waar we vlak naast stonden kon ik nauwelijks gezichtsuitdrukkingen onderscheiden, maar ik wist instinctief dat Percy met zijn ogen rolde. “Oliver, je beseft toch wel wat er aan de hand is? Dit is niet het moment om niks te doen, dus als je hier niets te zoeken hebt, kun je beter maken dat je wegkomt. Het is gevaarlijk.”
      Dat was zo typisch Percy. Hij probeerde de waarheid te verhullen door zijn zorgen te verpakken als bevelen en snibbige opmerkingen. Normaliter zou ik misschien zelfs naar hem hebben geluisterd, omdat Percy altijd de betere ideeën had van ons tweeën, maar dit keer niet. Het voelde fout om hem weer alleen te laten, net als dit hele gebeuren.
      “Ik was op zoek naar jou,” gaf ik toe.
      Er viel een korte stilte, die enkel werd doorbroken door gegil in de verte. Het leek rustiger te worden, al zou dat ook kunnen komen doordat de meeste tovenaars en heksen inmiddels door het bos strompelden en over boomtakken struikelden. Aan de positieve kant waren boomtakken nog altijd beter dan lijken.
      “Lumos.” Er verscheen licht aan het puntje van Percy’s toverstok. Pas toen mijn ogen voldoende gewend waren aan de onverwachte felheid ervan, zag ik de enorme hoeveelheid bloed die Percy’s gezicht en de voorkant van zijn gewaad rood kleurden.
      Ik bracht een hand omhoog om hem aan te raken, maar realiseerde me toen dat ik dat beter niet kon doen tot ik wist of en waar hij verwond was.
      Nou ja, waar was eigenlijk de enige valide vraag. Ik schraapte mijn keel en hoopte dat mijn stem het niet zou begeven. “Perce, wat is er gebeurd?”
      “Huh? O -” Hij veegde over zijn kin en zag dat er rood spul aan zijn vingers kleefde. “Ik geloof dat ik een bloedneus had. Het is niets.”
      Ik schudde beslist mijn hoofd. “Dit keer ben jij degene die het niet over niets moet hebben. Kom, we gaan je schoonmaken.”
      “Dat is echt niet nodig. Ik moet terug. Ik was eigenlijk alleen hier omdat ik verdwaald was -”
      Ik gaf hem geen kans om uit te praten, maar greep hem bij zijn schouder en duwde hem de dichtstbijzijnde tent in.
      “Oliver! Hier wonen mensen. Mensen die wij niet kennen.”
      Het was een relatief kleine tent, zonder scheiding tussen het keuken- en woonkamergedeelte. Ik trok een aantal keukenkastjes open, op zoek naar een doek. “Nonsens, ze zijn hier hooguit op vakantie. Ze zullen het vast niet erg vinden als we even gebruik maken van hun woning terwijl ze weg zijn.”
      Ik had verwacht dat Percy meer tegenstand zou bieden. Toen dat niet het geval bleek, wierp ik een verbaasde blik achterom en zag dat Percy zwaar op de keukentafel leunde. Hij zag eruit alsof hij ieder moment flauw kon vallen, dus haastte ik me naar hem toe om hem te ondersteunen. “Man, je ziet bleker dan ik na mijn eerste wedstrijd en zoveel bloed is het nou ook weer niet.” Eigenlijk wel. Het was griezelig veel bloed, maar dat klonk niet geruststellend.
      Percy schudde zijn hoofd en kneep zijn ogen dicht. “Ik kan dit niet, Oliver. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan dit niet.”
      “Wat niet?”
      Hij gaf geen duidelijk antwoord, maar ging in plaats daarvan verder met zijn monoloog. “Ik heb ze in de steek gelaten. Mijn vader, Charlie, Bill, ik liet ze allemaal daar achter, terwijl ik mezelf in veiligheid bracht.” Hij haalde diep en beverig adem. “Fred en George hebben gelijk. Ik ben een lafaard.”
      “Fred en George menen nooit een woord van wat ze zeggen, en dat weet jij ook.”
      “Dat betekent niet dat wat ze zeggen niet toch waar kan zijn. Ik was zo bang, Oliver. Ik dacht altijd dat boeken overdreven wanneer er stond dat mensen verlamd of misselijk waren van angst, maar dat was precies hoe het voelde.”
      Hij begon te trillen. Ik wilde iets doen, maar ik wist niet wat ik kon zeggen om het beter te maken. Praten was zijn ding, niet het mijne. Het enige was ik hem op dat moment kon bieden was gezelschap, dus ik sloeg mijn armen om hem heen en trok hem zo dicht mogelijk tegen me aan. Voor het eerst sinds deze vreselijk foute nacht begon, was ik me er absoluut zeker van dat het goed voelde.

Reageer (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen