Foto bij H63

Ohoeh!

Ik lijk wel weer terug bij af te zijn. Of misschien wel erger. Net had ik tenminste Diamantar nog. En nu... het gevecht duurt voort, maar ik boek geen vooruitgang. Net als zonet sla ik, steek ik en ontwijk ik en verlies ik al mijn energie. Ja, mijn vader kan me niet doden. Maar als ik mijn verdediging laat zakken en hij komt langs me dan kan hij bij Diamantar, en dát mag niet gebeuren!
Rechts, links, rechts, rechts, links, steek, slag naar het hoofd, rechts, schijnbewegint naar het hoofd, rechts, steek. Mijn vader weert netjes de slagen af en kijkt me lachend aan, alsof ik zo dom ben. Dat ik een klein kind ben en niets door heb.
Maar ik heb het wel door.
Hij put me uit. Dat is duidelijk. Maar hij doet het expres. Ik heb al door dat hij naar Diamantar begint te lopen.
Maar wat híj niet door heeft is dat ik Diamantar nooit kwijt zal raken, ik zou zelfs voor hem springen als mijn vader zou proberen hem te doden. Ja.
'Meisje toch,' zegt mijn vader als ik dan eindelijk begin te hijgen en mijn slagen minder krachtig worden.
'Misschien moet je opgeven?' vraagt hij pruilend. Hij slaat een van mijn slagen op zijn hart weg.
'Voor geen goud,' mompel ik met een kwade stem. Rechts, steek, links, steek, steek, schijnbeweging, steek.
'Ik moet toegeven dat je beter wordt,' zegt mijn vader.
'Dat zei je net in die kuil ook al, begin je door je woorden heen te komen?' vraag ik hem.
Mijn slagen worden afgeslagen.
'Nee, natuurlijk niet,' zegt mijn vader. Ik zie hem boos fronzen. Dat maakt me blij en ik ga verder. Maar ik merk dat mijn energie nu echt op een laag niveau is. Ik hijg, ik bibber en mijn zwaard arm trilt. Mijn beeld word mistig. Verdomme.
'Ga anders even zitten,' fluistert mijn vader.
'Nooit,' zeg ik opstandig terug. Ik knipper met mijn ogen om mijn beeld terug te krijgen.
Een zachte plof.
Ik kan weer zien en ik kijk voor me naar mijn vader. Naar fel licht. Naar het bos. Achter me klinkt gelach.
Ik draai me om en zie hoe mijn vader tegen een boom weer verschijnt.
'Leuk trucje he?' vraagt mijn vader. Dan pas zie ik naast welke boom hij staat. Diamantar.
Ik spring naar voren en mijn vader heft zijn handen.
Bliksem. Nee!
Opeens schiet er een liedje door mijn hoofd. Ik fluister de woorden in de oude taal.

Twee rijken.
Een kwaad.

Goed zal bezwijken.
Door kwaad veraad.

Een elf en mens zal het worden.
Het half wezen leeft

Het zal moorden.
De wereld beeft.

In handen van de donder.
Zal dit kind vinden.

Het wonder.
Dat het kwaad zal binden.

Het kwaad is opgestaan.
Het kind zal nooit dood gaan.


Ik knijp mijn ogen dicht en ik val op Diamantars borst, recht voor zijn hart. Ik voel de bliksem in mijn vaders handen pulseren en voel hoe hij het afvuurt. Warmte komt op me af, kwaadaardige warmte. Omdat die magie voor Diamantar bedoelt is zal ik kunnen sterven. Ik ga sterven.
Ik ga sterven met mijn draak.
'LILITH! NIET DOEN!' schreeuwd Diamantar.
Te laat.

Reageer (1)

  • dineniel

    neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee
    ze mag niet dood gaan dat mag gwn niet
    kga nu snel doorlezn
    omdat zo spannend is heb ik geen reactie bij de vorige gezet sorry daarvoor

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen