Enkele dagen zijn verstreken sinds ik de ruiter van zijn zwaard beroofd heb. Ik moet hem nog voor een goede prijs zien te verslijten, maar in de tussentijd is er iets anders op mijn pad gekomen.
Gisteren ontdekte ik twee reizigers die door een roedel wolven werden aangevallen. Ik wist ze te verjagen, maar voor een van de twee mensen kwam ik te laat: de vader van een jongen van acht was aan stukken gereten en viel niet meer te redden.

De jongen, angstig en somber, durft mijn hut niet meer uit te komen. Ik zou het nooit over mijn hart verkrijgen om hem weg te sturen, maar dat betekent wel een mond extra om te voeden. De komende dagen hebben we nog wel genoeg wolvenvlees om ons in leven te houden, maar ik, een voortvluchtige, kan niet voor een kind zorgen. Ik slaap hooguit twee nachten op dezelfde plaats en vertrek dan weer, zodat niemand mijn spoor zal oppikken. De jongen zal niet lang bij me kunnen blijven, want zodra de koningin erachter komt dat hij in mijn gezelschap heeft vertoefd, zal ze geen spaan van hem heel laten.

Het meest nabije dorp is echter nog wel een paar dagen reizen en de winterstorm die de afgelopen dagen over het land raast, maakt dat een levensgevaarlijke onderneming – vooral voor een klein kind als hij.
Ik hang nog een extra mantel over zijn schouders en ga naast hem zitten. Ik heb al meerdere malen getracht te achterhalen uit welk dorp hij komt, maar hij kan zich de naam niet herinneren, waardoor ik vrees dat hij zijn moeder nooit meer zal terugzien.
‘Waarom woont u in het bos?’
Ik verwonder me over het feit dat hij een vraag stelt, want eigenlijk heeft hij tot nu toe zoveel mogelijk gezwegen.
Ik overweeg mijn antwoord. Eigenlijk kan ik niet te veel los laten, want met ieder woord dat ik uitspreek, kan ik hem in gevaar brengen. Hoe minder hij over me weet, hoe beter.
‘Ik vind het fijn,’ antwoord ik daarom. ‘Dichtbij de natuur en zo.’
Hij kijkt me onderzoekend aan en ik zucht. Zelfs een klein kind gelooft niet dat een jonge vrouw zich bijna laat doodvriezen omdat ze van de natuur houdt.
‘Ik kan niet meer naar huis,’ geef ik dan toe. ‘Mijn vader is overleden en mijn moeder ook.’
De jongen kijkt me met grote, waterige ogen aan. ‘Moet ik hier dan ook blijven?’
Ik schud gauw mijn hoofd. ‘Nee, zodra de storm gaat liggen, breng ik je terug naar een dorp. Dan zullen ze je moeder wel vinden.’
Als ik het zwaard verhandel, kan ik van het geld misschien iemand inhuren die de moeder van de jongen kan terugvinden.
De jongen klimt op mijn schoot, alsof hij mijn voornemen heeft gehoord.
‘Dank u wel.’
Ik glimlach en sla mijn armen om hem heen, hopend dat ik de belofte kan waarmaken.

Reageer (3)

  • Marly2801

    Lief van der!
    Mooi geschreven, dit hele verhaal!
    Snel verder (:

    1 decennium geleden
  • chanyeoI

    Arme jongen...
    +Kudo

    1 decennium geleden
  • VeerleClifford

    wauw

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen