Foto bij Een dagboek uit een ver verleden

Ik drukte op de bel naast mijn bed en wachtte op de bediende waarom ik vroeg. Ze zou mijn kleren voor vandaag komen brengen. Na ongeveer dertig seconden in mijn bed gewacht te hebben, kwam Anna de kamer binnen.
Beleefd als altijd begroette ze me. ‘Goedemorgen, Chantelle. Heeft u een goede nacht gemaakt?’
Ik glimlachte. ‘Ja, Anna. Bedankt.’
Ze legde de zachtroze jurk die ze uit mijn inloopkast gepakt had, uitgezocht door mijn styliste, over de paspop die in de hoek van mijn kamer stond. Daaronder zette ze mijn ballerina’s.
Ze knikte naar me en verliet toen de kamer.
Terwijl ik me rustig aankleedde –ik kon het me veroorloven te laat te komen- dacht ik na over mijn leven. Ja, ik was rijk. Mijn vader had een enorme erfenis gekregen en zijn goedbetalende baan kwam daar nog bovenop. We woonden dus in een kast van een huis.
Het was best fijn, daar niet van, maar af en toe wel wat vermoeiend. Allemaal bediendes en stylistes en schoonmaaksters. Ik moest alle namen onthouden. Ze waren gelukkig allemaal heel aardig. Ik had, van mijn familie, het meeste contact met alle bedienden die we in huis hadden. Mijn ouders hadden helemaal geen tijd om sociaal te zijn, of überhaupt namen te onthouden. Ze waren altijd druk in de weer met zaken doen, ofwel nadenken over zaken doen, ofwel praten over zaken doen.
Dat was tamelijk irritant, het weinige contact met mijn ouders. Ik wist amper waardoor we al deze spullen konden hebben, of waar mijn familie van afstamde. Ik wilde het eigenlijk best weten.
Wat zou het ook, dacht ik bij mezelf, vanavond vraag ik het gewoon aan ze. Ik zal ze gewoon onderbreken in hun zakendiner en mijn origine ontdekken.


Die avond zat ik met mijn ouders aan tafel in mijn eten te prakken. Ik moest afwachten tot het juiste moment om ze te onderbreken, anders zouden ze helemaal niks loslaten.
Het diner was altijd saai voor mij, aangezien ik enig kind was en met mijn ouders niet te praten viel. Ze wilden niet dat één van de bedienden bij ons aan tafel zouden zitten en eigenlijk ook niet dat ik met ze praatte. Maar wat moest ik anders?
‘Hoe wilde jij die familiezaak aanpakken?’
Mijn moeder was stil. Het perfecte moment!
Ik keek op en mijn ouders keken op toen ik begon met praten. Bijna alsof ze dachten:’O ja, Chantelle bestaat ook nog.’
‘Zou ik mogen weten waar onze familie vandaankomt?’


Ik sloeg het bruine, leren dagboek open dat schijnbaar van mijn over-over-over-over(en zo werd dat woord nog een aantal keer herhaald)grootmoeder was, en las in oud-Nederlands:

3 September 1700

Lief dagboek,
Vandaag zijn de nieuwe slaven aangekomen in ons huis. Het is zeker niet de eerste keer dat ik zwarten zie, maar het is zo nieuw. Vader en Moeder behandelen ze als oud vuil, als ongedierte. Maar ik, ik heb een heel ander oogpunt. Een uur geleden kwam een van de slaven mijn kamer binnen. Hij moest schoonmaken. Ik begon met hem te communiceren en het ging moeizaam. Zijn naam is Kofi. Hij schaamt zich niet voor zijn afkomst en is nergens bang voor. Ook al kunnen we moeilijk praten, ik vind hem sympathiek en kijk uit naar de volgende keer dat ik hem zie.
Als Vader of Moeder dit leest, vermoorden ze me.
Hopelijk schrijf ik ooit nog in dit dagboek, zo niet, dan weet je waarom.
Maria


Ja, ook deze heb ik voor Nederlands geschreven. Het is een soort vervolgverhaal op het verhaal in het boek, maar dan alleen dat stukje met Kofi. Maria zat er niet in, de rest heb ik allemaal verzonnen. x

Reageer (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen