Foto bij Hoofdstuk 4: De koopman

Ik vermoed dat dit verwarring gaat opleveren, dus even een verduidelijking van namen: Iedere Romein heeft drie namen: Praenomen, nomen en cognomen. Praenomen is gegeven door je ouders en word alleen gebruikt door ouders en beste vrienden. Nomen is de familienaam. De cognomen is een bijnaam, soms geerfd van de vader, soms gekregen door uiterlijke kenmerken of gegeven door de gemeenschap. De cognomen is de naam die meestal gebruikt word,

Wederom was ik op het forum. Deze keer scheen de zon echter en was het zo druk als het alleen kon zijn in een wereldstad. Overal om me heen liepen kooplieden, winkelende mensen, legionairs en slaven. En op dit moment ook enkele senatoren die tevens advocaat en aanklager waren en een gevangene: Samen met mijn vrienden had ik een strafzaak bijgewoond die inmiddels was afgelopen. Het rumoer stierf langzaam weg en de andere gegadigden gingen verder met hun bezigheden. In de afnemende drukte nam Caelus, mijn beste vriend, me bij de arm en sleepte me weg van de rest van onze vrienden. Gedwee liet ik me meenemen. Caelius Canidius Cato, tweede zoon van een verarmde Eques Romanus, was iemand waar je niet snel tegenin ging. Hij was een lange, slanke man die twee maanden ouder was dan ik, redelijk gespierd maar met fijne gelaatstrekken die vrouwen deed zuchten. Zijn koppigheid evenaarde de mijne en het redeneren ging hem veel beter af. Zijn zilveren tong had ons veel problemen bespaard, hoewel misschien niet evenveel als dat het ons problemen had opgeleverd. Des te meer daar een tong vrouwen op meerdere manieren kan behagen, wat niet altijd door familie word gewaardeerd. Toch slaagde Caelus er altijd in om aan ernstige gevolgen te ontsnappen: Enerzijds door zijn talent voor taal en anderzijds, wanneer het gevaar een meer fysieke aard had, door mijn bescherming. Een ding was zeker: Caelus maakte mijn leven een stuk interessanter.

Ik zag al snel waar we heen gingen: een van de tabarnae op het forum, een kraam met heerlijk eten beheerd door Licinus, een vriend van ons beiden. Licinius was een oudere, kalende man met een kort baardje en een buikje die de winkel over had genomen van zijn vader. Caelus en hij hadden drie jaar terug een deal gemaakt: Caelus kon een verhaal ruilen voor eten. Wanneer Caelus vertelde kwamen vanzelf mensen om te luisteren en niet zelden kochten die wat te eten bij Licinius. Ikzelf werkte ook al een tweetal jaar voor Licinius, als bewaker als hij me nodig had. Ook als er problemen waren kon hij me altijd roepen. De straten van Rome vonden wel een manier om me op de hoogte te brengen. Waarom hij mij graag voor dit werk had in plaats van een volwassen en uit de kluiten gegroeide ex-legionair was me echter een raadsel.

“Licinius, mijn beste! Twee zakken wijn en wat fruit dat je kunt sparen!” Licinius keek hem schattend aan. Hij wist al hoe laat het was.
“Hm, hoor ik daar dat Cato weer platzak is?” De koopman schudde met zijn hoofd. “Wat doe je toch met je geld, jongeheer?” Caelus rolde met zijn ogen. Zijn familie was dan wel van edele afkomst, landerijen en geld bezaten ze nauwelijks. Met veel pijn en moeite had zijn vader genoeg geld bij elkaar kunnen schrapen om ook Caelus op te leiden, iets wat overduidelijk zijn vruchten had afgeworpen. “Wat klink je trouwens vrolijk, Cato. Waar is het feest. Mus?” Licinius keek me vragend aan. Caelus zei niks. Dit was aan mij om te vertellen.
“Ik heb mijn probatio doorstaan en ben aangenomen in het legioen. Volgende week zal ik samen met de andere rekruten naar het noorden varen. Waar ik zal eindigen weet ik nog niet, maar ik heb gehoord dat ze in Germania een groot tekort hebben aan Romeinen.” Licinius keek me geschokt aan en liet de wijnzak die hij tevoorschijn had gehaald vallen. Sneller, veel sneller dan dat je zou verwachten van een oude man met een buikje leunde hij over de toonbank en omhelsde me kort en klopte me op mijn rug. Ik liet het enigszins gelaten over me heen gaan.
“Je bent aangenomen? Gefeliciteerd! Oh, ik heb je jaren zorgen horen maken over je lengte en gehoord over je wensen om in het legioen te gaan.” Licinius liet me los. “Ah, Rome zal een ware Romein kwijtraken. Het legioen zal je echter ongetwijfeld met open armen ontvangen. Dit is inderdaad iets om te vieren.” Met die woorde vulde de koopman twee zakken met zijn betere wijn en vulde twee kommen met dure olijven. “Ik zal je missen, Marcus. Je bent een goede vriend geweest en ik voelde me een stuk veiliger als ik met geld over straat moest als jij erbij was.” Het feit dat Licinius me bij mijn praenomen noemde ontging me niet. De oude man zag me blijkbaar echt als vriend. Het ontroerde me toch wel een beetje.

“Wat ik me nou al die tijd al afgevraagd heb, Licinius: Waarom huurde je mij daarvoor in? Waarom niet iemand die groter is, sterker of die beter kan vechten?” Ik zag Caelus met zijn hoofd schudden. Blijkbaar vond hij het een domme vraag.
“We zijn in Rome, Mus! Waar vind ik hier iemand die eerlijk is en me niet beroofd? Tot nu toe ben je altijd voldoende geweest en jij bent eerlijk! Dat is iets om te koesteren in deze stad.” Met een schuine blik op Caelus voegde hij daar nog aan toe: “Ik zou zelfs mijn dochter aan je toevertrouwen.” Caelus verslikte zich hoestend in zijn wijn. Licinius en ik vermoedde allebei dat hij een oogje had op de dochter van Licinius. Vreemd genoeg deed Caelus nooit een toenaderingspoging tot haar. “Ach, nu jij naar Germania gaat raak ik haar aan de straatstenen niet kwijt!” jammerde Licinius terwijl hij glimlachend naar de proestende Caelus en mijn inmiddels beschaamde gezicht keek. Licinius had een wat vreemd gevoel voor humor.

Plots verdween de twinkeling uit de ogen en keek de koopman me uiterst serieus aan. “Alle grappen terzijde, jullie zijn beiden twee gewaardeerde vrienden van me en zeer welkome klanten, ook al hebben jullie nog wat open rekeningen staan. Jullie hebben een oude man wiens zoons zijn vertrokken veel geholpen.” De twee zoons van Licinius waren al lang geleden bij het legioen gegaan. Zijn oudste zoon zou over twee jaar klaar zijn met zijn dienst. Zijn jongste zoon was drie jaar terug gestorven in Hispania. Caelus was inmiddels bekomen van zijn hoestbui en keek geboeid toe terwijl Licinius onder de toonbank reikte en een klein sieraad tevoorschijn haalde, een ijzeren adelaar aan een leren veter. “Mijn zoons kregen beiden een van deze mee toen ze vertrokken. Jij bent geen zoon van me maar toch een goede vriend en ik zou graag willen dat jij dit aanneemt. Ik weet dat je vader je zijn zwaard meegeeft. Laat dat je familie zijn en laat deze adelaar in het teken staan van je vrienden en de glorie van Rome. Een teken van je ijzeren wil. Zeker in de duistere wouden van Germania zul je zo'n herinnering nodig hebben.” Ik keek met grote ogen naar de adelaar. Een kostbaar sierraad was het niet, de symbolische waarde ervan was echter enorm. Ik was gesteld op Licinius en ik wist dat dat andersom ook gold, maar dat hij zo sentimenteel was... Toen dacht ik terug aan zijn jongste zoon en wat hij gezegd had. Misschien dat het daarom zo belangrijk voor hem was. Ik wist ook dat ik het niet kon weigeren. Tegelijk wilde ik dat ook niet: Ik struinde al heel wat jaren over het Forum Romanum en Licinius en zijn kraampje was al lange tijd een vaste stop op onze slenteringen.
“Bedankt,” mompelde ik terwijl ik het sieraad om mijn nek hing. “Ik zal het niet vergeten.” Met een knipoog voegde ik nog toe “Over twintig jaar sta ik hier weer voor de deur voor je dochter.”
Caelus schraapte haastig zijn keel. “Over dat verhaal... Zal ik maar eens beginnen?” Licinius en ik knikte enthousiast. “Uitstekend. Dit wordt mijn beste, grootste verhaal. Ik heb dit al jaren bewaard voor een speciale gelegenheid, Marcus. Niks is specialer dan het vertrek van mijn beste vriend. Om dat te vieren zal ik jullie wereld op zijn kop zetten...”

Met dat begon Caelus te vertellen. Caelus vertelde graag over de geschiedenis, over beroemde figuren zoals Scipio Africanus en Caesar, maar ook over buitenlanders zoals Pyrrhus van Epirus of Alexander de grote. Vandaag echter verteld hij over Hannibal Barca, de man die ooit aan de poorten van Rome had gestaan, de man die verantwoordelijk was voor de dood van duizenden Romeinen in Cannae. Een generaal die inmiddels werd afgeschilderd als een soort boeman, een demon die je kwam halen als je je ouders niet gehoorzaamde. Caelus schilderde met zijn woorden echter het beeld van een man die vocht voor zijn mensen, die het onmogelijke voor elkaar kreeg door niet alleen door de Alpen te gaan in de winter maar door dat te doen met een kudde olifanten, die jarenlang legioen na legioen had verslagen in het hart van de Romeinse republiek. Ik kan op geen enkele manier recht doen aan het verhaal dat hij daar in elkaar weefde, op een zodanige manier dat de mensen die ademloos stonden te luisteren begonnen in te zien dat staatsvijand nummer één van Rome toch een bewonderenswaardig mens was. Caelus vertelde over de frustraties van Hannibal toen deze steeds maar weer niet de versterkingen kreeg van het senaat van Carthago die nodig waren om Rome zelf in te nemen waardoor hij uiteindelijk gedwongen was af te druipen, terug naar Carthago. Uiteindelijk sloot Caelus af met het verhaal hoe Hannibal en Scipio Africanus elkaar jaren later hadden ontmoet in het rijk van Antigonus, hoe de twee generaals, de grootste uit hun tijd, daar gesproken hadden zonder vijandigheid tegen elkaar maar met respect voor de vaardigheid voor de ander. Dat, zo besloot Caelus, was de ware kracht van Romeinen: Niet haat of angst voor dat wat gevaar op leverde, maar respect en de wil om te leren van hun en om zo sterker te worden.

Terwijl zijn laatste woorden nog door de lucht zweefden als vuurvliegjes op een lome zomeravond tikte ik Caelus op zijn schouder en gebaarde hem om te volgen. Ik had een ongewenst gezicht gezien en het was belangrijk dat we snel vertrokken. Ik zwaaide snel naar Licinius en sleurde Caelus mee.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen