• At night I hear it creeping
    At night I feel it move
    I'll never sleep here anymore

    I think there's something out there
    I think I heard it move
    I've never felt like this before

    I wish I never knew

    Three Days Grace (Scared)


    Uit het niets zijn de mannen en vrouwen, al voor jaren, opgesplitst in twee delen. Niemand heeft een idee hoe het komt en doen er ook geen moeite voor om het te veranderen.
    Doordat er nu moeilijk kinderen kunnen komen, zijn er nu niet zoveel mensen meer over. Liefde is dan ook niet veel te vinden in de wereld of ze zijn homoseksueel of gaan toch stiekem naar het andere deel toe waar de andere sekse woont – waarvoor ze wel eerst de enorme muur over moeten klimmen die de seksen scheidden van elkaar. Wat onmogelijk is, want er zijn bewakers die de muren beschermen. Men heeft een illegale manier gevonden om er onderdoor te gaan in een geheime tunnel, waar vrouw en man elkaar ontmoeten of zelfs naar de andere kant van de muur kunnen komen.
          Maar als de wereld word aangevallen door ontelbare zombies, dan moeten ze hun handen in elkaar slaan om de invasie tegen te houden en de zombies terug te dringen naar hun eigen wereld. Ze moeten de poort sluiten van de demonenwereld waar de zombies doorheen komen, maar dit kunnen ze pas doen als de bewaker van de poort dood is.
    Redden ze dit wel? En wilt iedereen wel samenwerken of zijn ze zo erg uit elkaar gegroeid dat ze toch liever bij hun eigen sekse willen blijven?


    The world is a dangerous place to live; not because of the people who are evil, but because of the people who don't do anything about it.
    – Albert Einstein


    Foto's:
    Demonenpoort



    Overzicht van de stad


    Klik.

    Kerkhof.

    Bar & Nachtclub


    Regels:
    - 16+ is toegestaan.
    - Als je iemand wilt vermoorden moet je eerst toestemming hebben van die user zelf.
    - Alleen je eigen personage besturen en niet die van een ander.
    - Ik wil dat je post minstens 7 zinnen lang is (meer is altijd beter natuurlijk).
    - Er bestaan geen perfecte mensen in het echte leven, dus ook niet in deze RPG. Let daar op.
    - Als er een nieuw topic aangemaakt moet worden, vraag dan eerst toestemming aan mij [Osaki of Don]. En als ik niet online ben wacht dan gewoon rustig af op mijn antwoord.
    - Naamveranderingen doorgeven aub.

    Vrouwen:
    - Montana Kenley Fonteyn; Astris - 11 juli tot 22 juli op vakantie.
    - Jacky Kendra Smith; Makaveli
    - Chrissie Annabeth Jenkins; Kassiopeia - 3 juli tot 13 juli op vakantie ben/16 juli tot 28 juli op kamp.
    - Valysa Vulturmir; Inanis - 16 tm 28 Juli op vakantie.

    Mannen:
    - Dimitri Ardakyi Ivashkov; Makaveli (Bewaker van de poort, demon)
    - Derrick Nathaniel Ryder; Murdock
    - Jared Ryder; Murdock
    - Matthew Blythe; Kassiopeia.
    - Dante Gunner; Makaveli.
    - Cameron Micah O'Connor; Sigil - 4 t/m 15 juli op vakantie.

    Weer in de ochtend (8 a 9 uur):
    Het is een heel stuk opgeklaard, droog, maar dauw bevindt zich op het gras en de planten. Langzaamaan wordt het weer wat warmer en wordt het zo'n 18 graden.


    Rollentopic. & Off-topic.

    [ bericht aangepast op 9 juli 2014 - 18:05 ]


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Montana Kenley Fonteyn
    De jongeman knikt en ik ben er nog steeds van te verward van wat er net allemaal gebeurd is, dat ik niet gelijk actie onderneem om richting de brandtrap te lopen. Ik kom pas in beweging, als hij ook in beweging komt. Hij loopt regelrecht naar de slaapkamer en er verschijnt een frons om mijn gezicht om het feit dat hij hier zo gemakkelijk zijn weg kan vinden. Ik neem het me voor om het later aan hem te vragen, ál mijn vragen en dat zijn er een hele hoop. Ik heb nu al medelijden met hem.
    De jongeman laat me voor gaan bij de brandtrap, wat ik erg waardeer. Ik klim uit het raam en vlucht snel de brandtrap af, terwijl ik af en toe achterom kijk of de jongeman wel achter me aankijkt, ook werp ik af en toe een blik helemaal naar beneden, om te zien of daar niet van die rare dingen staan, wat gelukkig niet zo is. Vanaf een afstandje zie ik wel iets liggen, maar ik zie niet wat. Mijn appartement is op de vierde verdieping, waardoor het een paar minuten duurt voordat we beneden zijn. Beneden komen we aan in een steeg, die op zijn buurt weer uit komt op een groot plein. Ik kan nu ook zien wat er naast de trap ligt en richt gelijk mijn gezicht de andere kant op. Het is niet dat we echt vrienden waren, maar we praatten wel regelmatig en het doet me wel iets om haar zo te zien. Hetzelfde had mij kunnen overkomen.
    De jongeman neemt weer de touw in handen. 'Deze kant,' fluistert hij. Het klinkt raar om zo'n stem te horen, ik ben er niet aangewend. Zelfs fluisterend klinkt het nog laag, anders dan mijn stem die fluisterend nog hoog klinkt. Als hij begint te rennen ren ik achter hem aan en ik ben blij dat ik aan sport doe, anders had ik hem zeker niet bij kunnen houden.
    Dan realiseer ik me ineens iets, iets waardoor ik even stil blijf staan. Amy. Door al het gedoe was ik haar helemaal vergeten en ik begin me schuldig te voelen. Hoe kan ik ooit vluchten als zij daar nog ergens is? Ik zet het weer op een rennen en maak een inhaalslag, om hem vervolgens stil te laten staan. 'Wacht!' zeg ik op een gedempte toon. 'Ik kan niet zomaar weggaan. Ik moet iemand zoeken.' Tot mijn verbazing zegt hij dat hij meegaat. 'Ze is alleen wel ergens bij de supermarkt als het goed is, en dat is bij het grote plein.' Kort bijt ik op mijn onderlip. 'Maar ik weet wel een route hoe je er ongezien kunt komen.' Ik aarzel even, maar haal dan toch het pistool te voorschijn en geef die aan de jongeman. 'Ik denk dat jij er beter mee om kan gaan dan ik dat kan,' meld ik, waarna ik me weer voort begin te bewegen.


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Keanan Seaborn Parker

    Met een brede grijns keek ik naar het schilderij waar ik vanmorgen eindelijk mee begonnen was. Ik had het mezelf al de hele week verweten dat ik mijn ideeën eigenlijk gewoon meteen moest uitvoeren, of op z'n minst eens moest opschrijven. Maar vaak was ik dan overmoedig en dacht ik dat ik het zo ook wel even kon onthouden. Dat soort hoogmoed had me al vaak tot op het randje gebracht om mezelf een klap te geven. Ik veegde met mijn vrije hand het haar dat voor mijn ogen was gevallen uit mijn gezicht en zette een stapje achteruit, waarna ik met een kritische blik mijn hoofd schuinhield en me viseerde op het canvas. Na nog een paar vegen en aanpassingen tot het naar mijn zin er wel mee door kon gaan, veegde ik mijn handen af aan een oude handdoek dat als vod diende terwijl ik naar de keuken liep om wat drinken te halen. Ik deed de koelkast open en viste een blikje bier uit de deurlade, klikte het open terwijl ik de deur terug dichtdeed met een korte heupbeweging en dronk een paar slokjes. Met mijn blik naar buiten gericht ging ik tegen de gootsteen leunen, genietend van de korte pauze en de stilte die ik me kon permitteren. Omdat ik meestal schilderde in niet meer dan een boxershort of een losse broek die ik aanhad, gewoon om de reden dat ik me dan vrijer voelde en ik meteen minder was had achteraf, voelde ik nu pas dat het best fris was. Tijdens het schilderen had ik daar nooit echt last van, maar nu ik hier stilstond, voelde ik dat ik lichtjes begon te rillen. Net toen ik het blikje neerzette op de keukentafel en naar slaapkamer onderweg was om een t-shirt te nemen, hoorde ik het gekletter van stukgeslagen ramen, een verdieping lager. Daarna volgde er een luide, gepijnigde schreeuw. Meteen vloog ik naar mijn raam in de hoop dat ik iets kon zien van wat er daarnet gebeurd was. Met mijn voorhoofd tegen de raam gedrukt zag ik nog net dat er iemand naar binnen kroop langs het raam. Mijn ogen gingen verder naar de straat en tot mijn afgrijzen zag ik een hoop wandelende lijken zijn voorbeeld volgen. Ik vloekte binnensmonds en haastte me snel naar mijn slaapkamer, waar ik snel een hoodie over mijn hoofd trok en dan mijn kleine appartement verliet. Met een haastige blik keek ik de gang door of er nog mensen naar buiten kwamen of misschien zelfs die zombies al, maar het enige wat ik merkte was dat er een hoop gebonk te horen was, en gedempt geschreeuw. Een paar seconden bleef ik stilstaan. Zou ik ze gaan helpen? Zou ik meer mensen met me mee krijgen zonder dat de zombies ons zouden opmerken? Ik werd terug naar de realiteit gebracht en uit de vragen die ik aan mezelf stelde toen ik nog eens gerinkel hoorde en het geschreeuw van een man. Mijn keuze was al snel gemaakt. Ik rende de gang door, naar de andere kant van het appartementsgebouw, zonder nog om te kijken. Ze waren al binnen, het was veel te laat om nog terug te gaan. Ik rende de trap af naar beneden en verliet het gebouw langs de achterkant. Op straat was het nog veel erger dan ik had verwacht. Damn, die zombies waren veel sneller dan ik ze altijd al had voorgesteld. In games waren ze lomp en traag, maar deze duidelijk niet. Ik keek om me heen waar ik het best heen kon zonder aandacht te trekken.


    Tell me, my friend. Have you ever danced with the devil in the pale moonlight?

    Jacky Kendra Smith.


    Ik hoorde gegil van een jonge vrouw, niet ver van mij vandaan, waarna er een geluid klonk met dat een raam kapot werd geslagen. Verdomme, ze kwamen hier nu ook naar binnen. Ik moest weg gaan en nu meteen! Ik keek snel rond om te kijken of er een tas of iets lag, maar er lag alleen een troep en glas. Huiverig keek ik rond om te kijken waar ik kon ontsnappen en zag uiteindelijk een deur – waar ik snel naartoe rende, maar ik zag dat het alleen een kamer was (dat vast een werkkamer geweest moest zijn). Ik zag een rugzak op de grond liggen en deed er de handgranaten in. Het aanvalsgeweer hing ik over mijn schouder heen.
    Het raam in de werkkamer was nog niet kapot en de enigste om te ontsnappen was om door dat raam te gaan, dus ik deed het raam open; wat veel krakend geluid gaf. Gelukkig was het gewoon een winkel, dus hoefde ik niet van een enorme hoogte te springen. Doordat ik hoorde dat ze steeds dichterbij kwamen, klom ik wat onhandig het raam uit waardoor ik met mijn gezicht op de grond viel. Ik hield er wat schaafplekken aan over, maar voor de rest niks. Dat was wel het minste waar ik mij bezig hield, ik moest een schuilplek vinden.
    Ik knielde en kroop over de grond, achter het gebouw, waar ik uiteindelijk uit kwam bij een ander gebouw. Het was een groot, leeg pakhuis. Er stonden alleen lege dozen, her en der stonden er stoelen en vooral was er erg veel stof en zand. Ik sloop, op mijn hoede, het gebouw in. Zou hier iemand zijn?
    Ik wilde niet roepen of er iemand was, dat zou pas stom zijn. In de films deden ze dat altijd en ik vond dat altijd het stomste wat je kon doen. Als je niet gevonden wilde worden door die dingen, moest je vooral gaan roepen of er iemand was. Not.

    [ bericht aangepast op 29 sep 2013 - 21:11 ]


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Chrissie Annabeth Jenkins
    Ik was heel erg opgelucht toen ik eindelijk weer op mijn twee benen stond. Ik kon voelen hoe mijn onderarmen open geschaafd waren en ze begonnen te bloeden, maar gelukkig hadden zij de klap opgevangen en was mijn gezicht nog intact. Op je gezicht kon het veel meer zeer doen dan op je armen.
    De menigte bewoog paniekerig maar naar mijn mening tergend langzaam vooruit. Hier en daar raasden een paar vrouwen als op hol geslagen koeien me voorbij, om daarna hard tegen de persoon voor hun aan te beuken en voor een nieuwe valpartij te zorgen die ik elke keer behendig probeerde te ontwijken. Één keer bleef een voet achter de mijne haken en viel ik ook om, gelukkig boven op de hoop.
    Na enkele minuten was ik de trek en duwspel van de menigte meer dan beu en besloot ik een zijstraatje in te slaan. In het zijstraatje leek het relatief rustig op een paar hoog gillende vrouwen na. Ik kon het ze niet kwalijk nemen, hoewel angst bij mij een dikke krop in mijn keel veroorzaakte in plaats van dat ik begon te gillen als een speenvarken.
    Mijn voeten leken me op automatische piloot naar een pakhuis te voeren een eindje verderop. Het zag er heel erg rustig uit, ook wel verlaten.
    Binnenin stond al een vrouw. Ze had knalrood haar en ze was eerder het type dat ik het liefst zo snel mogelijk zou mijden. Elk deel dat ik van haar lichaam kon zien, stond vol met tatoeages. Ze had best wel iets stoers, iets waarom ik haar nu wel zou aanspreken en in normale omstandigheden niet. Ze zag er zo iemand uit die niet snel bang werd – in vergelijking met mij – en dat zorgde ervoor dat ik haar voor een keer wel durfde aanspreken.
    Ik schraapte lichtjes mijn keel om haar aandacht te trekken. “Hallo?” vroeg ik zachtjes. Mijn stem leek weerkaatste te worden in de leegte van het grote pakhuis. Het zorgde ervoor dat een nog leger gevoel, samen met een nog misselijkmakender gevoel, mijn maag nog een keer goed deed samentrekken en ik lijkbleek geworden was.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Jacky Kendra Smith.
    Ik had de ruimte goed doorgekeken of er nog iemand was, maar ik kon niets of iemand vinden. Ergens was ik er wel blij om, omdat ik nogal snel opvliegerig en geïrriteerd werd in dingen waarbij je snel moest reageren en goed moest opletten, dat kon ik namelijk niet.
    Nadat ik de kust veilig had geklaard voor mezelf, was ik op een tafel, die overigens vol met stof was bedekt, gaan zitten – nadat ik het stof weg had geveegd en wat had gekucht door de dikke stoflucht. Ik probeerde te bedenken hoe ik dit nou moest oplossen en alle puzzelstukjes in elkaar te zetten hoe dit kwam, ook al had ik er niet echt veel, want ik snapte er nog helemaal niks van – alleen dat ik (en de mensheid) zichzelf moesten beschermen tegen die vieze wezens.
    Opeens hoorde ik boven mijn gedachtes iemand die z’n keel schraapte. ‘Hallo?’ Hoorde ik een vrouwenstem. Uit instinct sprong ik op en draaide ik mij snel om, waarbij ik mijn geweer had opgericht, zodat ik meteen kon schieten als het iets gevaarlijks was.
    Maar het was alleen een vrouw.
    Ze was wat voller en zag er naar mijn mening niet uit als iemand die klaar was voor een gevecht. Haar bruine, lange lokken hingen wat verwilderd rond haar gezicht, haar ogen straalden verwarring uit en haar mond had ze op een manier getrokken alsof ze misselijk was. Ze zag wat bleekjes.
    Ik liet mijn geweer wat naar beneden gaan en had een “oh,” gemompeld. “Je bent maar een mens.”
    Ik werd al niet graag gestoord en al zeker niet nu die on-doden dachten dat ze onze wereld over konden nemen.
    “Wat mot je van me?” Had ik wat bot en chagrijnig gezegd.
    “Dit is nu niet bepaald een moment om een theekransje te houden, meid.” Klonk het meer spottend dan waarschuwend.


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Chrissie Annabeth Jenkins
    Het meisje met de knalrode haren sprong meteen geschrokken op. Haar blik stond nogal strijdlustig voor iemand die er langs achteren zo onschuldig uitgezien had – relatief gezien, dan – en in haar bleke handen zat een zwart pistool geklemd dat rechtstreeks op mijn gericht was.
    Automatisch trok mijn volle gezicht nog witter weg en stak ik mijn handen de lucht in zoals in de films. Verdorie, wat voor iemand had ik nu weer aangesproken?
    Haar geweer liet ze gelukkig zakken, waarop mijn handen automatisch volgden. De “oh” die uit haar mond kwam, klonk eerder teleurgesteld. “Je bent maar een mens.”
    Als ik geen mens was, stond ze hier vast niet meer zo rustig te staan en zou ze ook een stuk minder bot doen. “Wat mot je van me?” Ze leek opeens een stuk chagrijniger dan eerst, alsof ze haar defensie modus geactiveerd had. “Dit is nu niet bepaald een moment om een theekransje te houden, meid.”
    De spottende ondertoon in haar stem maakte me meteen al een stuk chagrijniger. “Niets hoor, laat maar,” zuchtte ik geïrriteerd terwijl ik haar voorbij beende dieper het magazijn in.
    Soms had ik echt een hekel aan mensen. Ze leken me niet serieus te nemen door mijn gewicht en uiterlijk en dat irriteerde me zo hard. Ik hield niet eens van thee. Dat ze haar thee stak waar de zon niet schijnen kon.
    Het gegil in de straat leek steeds duidelijker te worden en onze kant uit te komen. Alle haartjes in mijn nek kropen spontaan overeind bij de gedachte dat zo’n ding hierbinnen zou kunnen komen. Uiteindelijk had ik mezelf ervan overtuigd dat ik alleen niet veilig was. En die rooie had een geweer. Ik ging liever haar vertrouwen dan dat ik door mijn koppigheid neergeknald werd door zo’n zombie.
    “Ga je daar in het zicht blijven staan om neergeknald te worden?” vroeg ik haar. “Of kom je mee een andere uitgang zoeken?”

    [ bericht aangepast op 22 sep 2013 - 12:32 ]


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Jared Castiel Ryder

    Het regende hard, wat kapot viel op de stenen straattegels. Dat liet een koppeltje echter niet stoppen om samen in de regen te staan. Of ze leken in elk geval bij elkaar te horen, doordat de blonde jongeman haar tegen zich aan drukte. Hij vond haar momenteel belangrijker dan de neerdalende druppels op hen, wat de kleding langzaamaan doorweekten. Ze hadden geen paraplu bij zich, ze kwamen daarnet een café uitgelopen en toen ze naar binnen waren gegaan, had het nog niet geregend.
    De twee stonden er een eeuwigheid, het meisje keek zo nu en dan naar hem op, maar wendde vervolgens snel haar gezicht weer af. Ze had een Aziatisch uiterlijk, zwart, lang haar en donkere ogen, door de regen waren haar lippen bleek geworden. Onbewust drukte zij zich meer tegen de jongen aan, omdat ze was gaan trillen van de koude. Hierop reageerde de vriend door zijn armen strakker om haar heen te doen, maar vervolgens kalm een arm om haar lichaam weg te halen, om zijn hand onder haar smalle gezicht te leggen. Lichtjes duwde hij haar gezicht omhoog, liefkoosde haar wang met zijn duim, terwijl hij begon te praten.
          ‘Jij fascineert mij,’ zei hij met een glimlachje. ‘Simpelweg om hoe jij bent.’
          ‘Laten we naar een droge plek gaan.’ Ze slikte een brok in haar keel door, die was ontstaan door de intimiteit wat ze niet herkende.

          ‘Als je klaar bent om naar deze onzinfilms te kijken, wil ik je erop attenderen dat je een afspraak hebt met de dokter om 15:40 uur.’ Mijn handen lagen op de rugleuning van de donkere bank, terwijl ik op zijn laptop toekeek hoe de film afspeelde. Het knulletje dat het keek, draaide zich geschrokken om, maar het was duidelijk dat hij mij al verwachtte. Zijn gezicht vertoonde dan ook sporen van ergernis en ongenoegen, wat bij mij er enkel voor zorgden dat ik laconiek mijn wenkbrauwen ophaalden.
          ‘Sluip niet stiekem achter me, dude. Voor als je het nog niet wist, die twee worden zombies en vermoorden iedereen op hun pad, –’ Hij wees het pauzebeeld aan, waar de twee nu niets minder waren dan een stipje omdat ze ondertussen gelopen hadden. Ik onderbrak hem.
          ‘Dat mag wel zo zijn, maar het is niet jouw pad, want dat betreft namelijk een afspraak met de dokter over minder dan een kwartier.’ Mijn handen gleden van de leuning af, en ik wilde me al omdraaien om mijn jas aan te trekken, maar Derrick riep me terug. Ongeduldig, hoewel ik mijn kalmte in controle hield, draaide ik me naar hem om.
          ‘Wat maakt die afspraak uit? Ik wil niet eens gaan.’
          ‘Wat die afspraak uitmaakt? Nou, om te beginnen, wat dacht je van je toekomst?’ Er klonk een toon van wrok in mijn stem het moment dat ik dat zei, wat ik kort liet glippen. Dit draaide uit op Derrick die opsprong, zijn laptop dichtgeklapt en op de bank gegooid, waarna hij kwaad naar me toe liep.
          ‘Kom niet weer met die preek over de toekomstmogelijkheden, want we weten allebei dat je deze afspraak hebt gepland voor jezelf – jij wilt dat ik dit doe! Beslis mijn leven niet, omdat onze ouders vandaag vier jaar dood zijn.’ Ik schrok van zijn laatste woorden, herstelde me echter snel, omdat het niet geoorloofd was zoiets te laten zien.
          ‘Overleden, heengegaan, ontzield,’ benoemde ik streng de synoniemen op. ‘Heb wat respect voor onze ouders, Derrick.’ Terwijl ik met de seconde er strenger uit begon te zien, combineerde ik dat met dezelfde hardvochtige blik in mijn ogen. Mijn broertje keek me aan alsof ik nu helemaal gek was geworden en stormde weg, om zich klaar te maken.
          ‘Ik ga wel weer mee.’ Zo eindigde hij bruut de kleine woordenwisseling.

    Toen we bij het ziekenhuis aankwamen, waren we er beiden van overtuigd dat er iets aan de hand was. Er lag een onbekende, onheilspellende sfeer wanneer we het gebouw betraden. Alleen wat we zagen, daar vielen onze monden van open, aangezien er niemand te bekennen was. Er lagen wel lichamen op de grond, maar het was duidelijk dat hun leven was begeven. Sommigen hadden zelfs geen onderlichaam meer, er was overal bloed te vinden en spullen waren omgestoten. Goederen lagen in stukken en bij enkele plekken op de muren waren diepe krassen te zien.
          ‘Zo, dit zou je nog eens een goede barfight kunnen noemen.’
    Grommend liep ik verder het gebouw binnen, maar in andere ruimtes was hetzelfde zicht te zien; bloed, rotzooi als een gevecht en de stank van lijken. Er lagen er nogal wat. Ik wist niet hoe ik me moest voelen of wat ik moest doen, voor het eerst in mijn leven. Mijn keel was droog en met het beetje speeksel dat ik doorslikte hoopte ik erop dat het weg zou gaan, maar tevergeefs. Abrupt kwam mijn broertje aangesneld, wapperend met zijn armen en een dwaze blik in zijn ogen. Fronsend bekeek ik hem, als een soort tv-serie.
          ‘Rennen, gek, rennen!’
          ‘Wa –?’ Een seconde later kwamen er raar uitziende wezens de hoek om, mensen kon het nauwelijks genoemd worden. Hun kleding waren gescheurd en hun huid was bleek, grijs en enkelen hadden een groenig waas erover heen. Verrotte tanden waren te zien, terwijl bij anderen hun mond dichtgenaaid was. Bloed gleed bij enkelen langs de nek, terwijl mijn ogen als schoteltjes waren, mijn broertje ruw bij de arm greep en begon te rennen. Totdat ik ons opsloot in een donkere ruimte, waar ik het lichtknopje probeerde te vinden. Het begon te flikkeren, een niet gebruikte ziekenhuis kamer kwam tevoorschijn. Met een wazige blik keek ik naar Derrick, hij grijnsde.
          ‘Vergeet die onzinfilm, the real deal is zoveel beter!’

    [ bericht aangepast op 22 sep 2013 - 16:26 ]


    Quiet the mind, and the soul will speak.

    Jacky Kendra Smith.


    De vrouw had haar handen instinctief in de lucht opgestoken en liet ze toen zakken, tegelijkertijd met dat ik mijn geweer had laten zakken. De laatste woorden die ik had uitgesproken leken een trigger te zijn voor iets, want ze leek meteen een stuk chagrijniger en ze had 'Niets hoor, laat maar,' geïrriteerd gezucht. Ze beende langs me heen, dieper het magazijn in.
    Ik had mijn wenkbrauw minachtend opgehaald en mijn schouders opgetrokken. Ik dacht dat ze wegging. Ach, wat zou het. Niet mijn zorg. Ik moest voor mezelf zorgen en dat kon niet als mensen mij in de weg liepen. Er klonk een gegil, maar ik had er geen aandacht aan besteedt; het klonk alleen wat vaagjes ver boven mijn gedachten.
    'Ga je daar in het zicht blijven staan om neergeknald te worden?' Hoorde ik opeens van dezelfde stem komen die mij net had gestoord. Ik zuchtte. Oh, het is zo'n iemand. Ik rolde mijn ogen en draaide mij toen om. Ja, ze stond er nog.
    Toen herinnerde ik mij die gil van een vrouw en kreeg ik een glimlach op een gezicht die niet iets goed betekende. Ze bleef bij mij sinds die gil. 'Of kom je mee een andere uitgang zoeken?' Dat bewees het al, dacht ik zo. Ik snapte het wel. De mens zocht zodra er gevaar dreigde de veiligheid op. Ik wilde ook niets liever dan die wezens kapot schieten. Ik was er dan geen wereldster in, maar ik wist hoe het werkte en raakte (na duizenden keren trainen) dan eindelijk mijn doel. Niet perfect, maar ik zou het raken. En anders was die andere een pechvogel.
    “Denk je serieus dat ik zoiets niet weet?” Had ik geantwoord met een geërgerde stem.
    “Ik heb het zover gered zonder jou, dus dat zal nu ook wel lukken.” Ik wilde er nog een zin bijvoegen, maar ik wist dat ik daar later spijt van zou krijgen en zuchtte ik in plaats van die zin te zeggen. Is er eindelijk actie en avontuur, is het dit! En ze bedoeld het alleen goed. Denk ik. Iedereen zit in hetzelfde schuitje, behalve die stinkerds, en niemand vind dit leuk.
          Ik dacht aan mijn familie, als ik mij die zou herinneren. Ik was opgevoed door mijn oma en ik ging op mezelf toen ik zeventien jaar was, want mijn oma overleed aan een hartinfarct toen ze sliep. Ik huilde de volgende morgen al mijn tranen uit mijn lichaam toen ik het hoorde. Ik heb geen enkele herinneringen aan mijn ouders, maar mijn oma heeft mij een halskettinkje achterlaten met een foto van haar erin – die ik tot de dag van vandaag draag.
    Mijn ouders zijn gestorven door een auto-ongeluk. Geen idee waarom, want de politie had vermeld dat het met opzet gedaan was. Iemand wílde hun dood. Maar wie? Diegene had het in ieder geval wel voor elkaar kunnen spelen. Ik was 10 jaar.
    Sinds ik 12 jaar was, lag de wraak al diep in mij; ik wist het alleen nog niet. Ik wilde gerechtigheid, maar bovenal wilde ik weten wie de moordenaar was en langzaamaan begon ik het op te geven. Alles wat ik nog wilde was het vergeten, maar dat lukte niet.

          ”En wat is je plan dan precies, vriendinnetje? Het lijkt mij hier veiliger aan een plan te denken, dan halsoverkop weer naar buiten te gaan zónder plan.” Had ik haar geniepig toe geglimlacht.
    Dat leek mij overigens niet handig. Als het haar handig leek moest zij vooral gaan. Dan zullen we zien hoelang ze het volhoudt daarbuiten.

    [ bericht aangepast op 22 sep 2013 - 19:04 ]


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Montana Kenley Fonteyn
    Terwijl we rennen realiseer ik me ineens iets, iets waardoor ik even stil blijf staan. Amy. Door al het gedoe was ik haar helemaal vergeten en ik begin me schuldig te voelen. Hoe kan ik ooit vluchten als zij daar nog ergens is? Ik zet het weer op een rennen en maak een inhaalslag, om hem vervolgens stil te laten staan. 'Wacht!' zeg ik op een gedempte toon. 'Ik kan niet zomaar weggaan. Ik moet iemand zoeken.' Hij kijkt me bedenkelijk aan. ‘Goed, ik ga mee.’ zegt hij. 'Ze is alleen wel ergens bij de supermarkt als het goed is, en dat is bij het grote plein.' Kort bijt ik op mijn onderlip. 'Maar ik weet wel een route hoe je er ongezien kunt komen.' Ik aarzel even, maar haal dan toch het pistool te voorschijn en geef die aan de jongeman die hem verbaasd aanneemt, maar de manier waarop hij hem vastpakt lijkt erop dat hij dat vaker gedaan heeft. 'Ik denk dat jij er beter mee om kan gaan dan ik dat kan,' meld ik, waarna ik me weer voort begin te bewegen. Hij heeft het wapen weggestopt in zijn broekband, zijn shirt eroverheen en hij begint me te volgen.
    Wanneer we bij de rand van het grote plein aankomen steek ik voorzichtig mijn hoofd om het hoekje om te zien of nog van die rare wezens zijn. Die zijn gelukkig niet te zien en ik gebaar de jongeman dat hij mee moet komen. Snel steken we het plein over, naar de supermarkt. Zodra ik zie dat de ramen zijn ingeslagen worden de zenuwen in mijn buik erger. Ik let niet meer goed op en storm de winkel zowat in. Overal op de grond liggen etenswaren verspreid. 'Amy,' roep ik door de winkel, maar er komt natuurlijk geen reactie. 'Doe eens zachter!' sist de jongeman, waardoor ik me realiseer dat hij er ook nog is. Voor even was ik hem vergeten en ik werp een korte blik achterom, waarna ik verder loop.
    Ik kijk het volgende gangpad in en zet gelijk weer een stap naar achter, waardoor ik tegen de jongeman opbotst. 'Eén van die wezens zit daar,' fluister ik.


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Chrissie Annabeth Jenkins
    Opeens verscheen er een sinistere glimlach op haar gezicht, wat er voor zorgde dat ik haar al helemaal niet meer vertrouwde. “Of kom je mee een andere uitgang zoeken?”
    “Denk je serieus dat ik zoiets niet weet?” antwoordde ze geïrriteerd. We leken een erg leuke uitwerking op elkaar te hebben. We raakten geïrriteerd van elkaar. Opeens wenste ik dat ik een ander magazijn ingelopen was.
    “Ik heb het zover gered zonder jou, dus dat zal nu ook wel lukken.” Ze zuchtte. Een erg aangenaam persoon leek het me niet, maar het was nu te laat. Misschien was ze wel niet zo onschuldig als haar gezichtje eruit zag, ondanks haar tattoos. Die zagen er eerder ruig uit. Die en haar rode haar maakten haar anders, en hoewel ik normaal wel hield van anders, begon ik er nu aan te twijfelen. Anders was niet leuk als de persoon die anders was, niet aardig was.
    ”En wat is je plan dan precies, vriendinnetje? Het lijkt mij hier veiliger aan een plan te denken, dan halsoverkop weer naar buiten te gaan zónder plan.” Ze had wel gelijk, maar tot nu toe was naar buiten gaan via een andere uitweg mijn enige plan. We konden hier ook niet voor eeuwig blijven zitten.
    Met tegenzin liep ik terug. Ik had het gevoel dat ze me zou aanvallen zodra ik dichterbij zou komen, niet dat dat een enkel nut had. Ze had niet veel aan me levend, maar nog minder aan me dood.
    “Goed,” mompelde ik wat terwijl ik mijn armen over elkaar sloeg. “Een plan. Hier blijven zitten lijkt me in ieder geval al geen plan, dus naar buiten moeten we sowieso, maar wat dan?”
    Ik leunde tegen een of andere ijzeren steunpilaar aan en keek haar aan. Ik zweerde dat ik het op een gillen zou zetten als ze één van die tengels van haar naar me uit zou steken. Snel rennen kon ik dan niet, zeker niet over lange afstanden, en als schreeuwen het enige was wat ik dan wel kon. Dan zou ik dat doen.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Jacky Kendra Smith.
    De vrouw liep terug en mompelde 'goed,' terwijl ze haar armen over elkaar sloeg. Mijn wenkbrauwen had ik afwachtend opgetrokken. 'Een plan. Hier blijven zitten lijkt me in ieder geval al geen plan, dus naar buiten moeten we sowieso, maar wat dan?' Ik wist dat ze gelijk had, maar ik wilde eerst zekerheid met een plan. Anders doen we straks iets waar we later spijt van krijgen of waar we geen eens meer spijt van kunnen krijgen, omdat we dan dood op de grond liggen.
    Nee, eerst een plan. Ik laat die vieze zombies niet winnen. De gerechtigheid moet terugkomen.
    Met een korte seconde keek ik naar de vrouw, die nu tegen een steunpilaar aanleunde, en ik beet zacht op mijn lip. “Hmm,” ik tikte zachtjes met mijn vingers op de tafel.
    Net op het moment dat ik een antwoord wilde geven hoorde ik hard geschreeuw van dichtbij komen, waarna er iets naar binnen werd gegooid. Alle alarmbellen gingen bij mij af. Dit was niet goed. Ik keek om en zag dat er een paar zombies onze kant opkwamen. Paniek, maar vooral strijdlust, zat er in mijn ogen.
    Er kwam allemaal rook tevoorschijn, wat dus betekend dat het rookbommen waren die naar binnen werden gegooid, en ik begon te hoesten. “Klerelijers! Laat jullie zelf zien, lafbekken!” Begon ik te schelden.
    Ik was even vergeten dat de jonge vrouw nog steeds bij mij stond, vanwege dat ik die zombies dood wilde hebben. Ik begon te schieten met mijn aanvalsgeweer en zag hoe er een paar zombies werden geraakt, door de rook die nog niet zo hoog stond, die vervolgens ook niet meer opstonden. Nog drie zombies kwamen onze kant oplopen en ik zag ze hun geweren tevoorschijn trekken. Shit!
    Ik draaide mij om en zag toen de jonge vrouw weer. Ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan dat ik haar vergeten was. Jacky, get yourself together and run.
    “Hey vriendinnetje!” Schreeuwde ik nu in de hoogstaande rook. “Of whatever je naam ook mag zijn.. rennen!” Zei ik, terwijl ik haar arm vastpakte en meetrok van de chaos vandaan.


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Chrissie Annabeth Jenkins

    Ze keek me aan met haar keurende blik. Haar vingers roffelden op een irritant, maar rustige manier op de tafel. “Hmm,” mompelde ze zachtjes.
    Net toen ze haar mond opende om voor een antwoord te zorgen, werd er wat met een harde klap naar binnen gegooid. De ruimte werd langzaam gevuld met een grijsachtige rook die alles nog donkerder maakte dan het eigenlijk al was. In de verte zag ik een paar lichamen onze richting uit bewegen. Ik wist niet juist wat ik ervan moest denken, en hoewel mijn eerste gedachte was: rennen, bleven mijn voeten aan de grond genageld staan. Ze waren hier. Ze waren hier voor ons.
    Het voelde net alsof ze indringers waren. En dat waren ze ook. Het meisje, dat niet meteen onopvallend was met haar knalrode lokken, begon te hoesten toen de rook haar bereikte. “Klerelijers!” schreeuwde ze met haar schelle stem. “Laat jullie zelf zien, lafbekken!”
    Er weerklonken schoten, maar ze leken van veel dichterbij te komen dan anders. Het was zo vreemd om te bedenken dat ik nu waarschijnlijk eenzaam in mijn zetel een kop chocomelk zat te drinken als dit niet gebeurd was. Ik verlangde nu al naar mijn warme choco, niet naar deze vieze stinkende… De rook had nu ook mijn longen bereikt en ook ik moest alweer hoesten.
    “Hey vriendinnetje!” riep ze opeens, waardoor ik geschrokken opkeek en mezelf bijna verslikte in mijn eigen speeksel. “Of whatever je naam ook mag zijn.. rennen!”
    Ze gaf me niet eens de tijd om na te denken, want ze sleurde me al mee door aan mijn arm te trekken. Waarom altijd rennen? Ik haatte rennen. Waarom konden we niet gewoon weg strompelen, glijden, rollen? Nee, het moest altijd weer rennen zijn.
    Ik moest wel zeggen dat we redelijk snel bij de andere kant van het gebouw kwamen, waar een T-splitsing was. Ik richtte mijn blik vaag op, maar hij bleef gelukkig hangen op het nog brandende bordje met nooduitgang erop. “Deze kant op,” zei ik zacht terwijl ik deze keer degene was die haar meetrok naar links, waar het magazijn uit leek te komen op een kantine. Er waren ramen, maar een deur naar buiten leek ik gemist te hebben. Buiten adem bleef ik staan terwijl ik paniekerig rondkeek.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Ashley Eirlys Marchels
    Ik trok mijn moeder achter me aan toen we door de straten renden, maar ik voelde hoe ze zwakker werd en haar tempo verloor. Overal klonken er geluiden; vanuit huizen gegil, glas dat brak of vreemde geluiden van de zombies uit de verte. Het beangstigde me en mijn hart klopte sneller, deels van de adrenaline.
    ''M-mam,'' begon ik, nadat we tot stilstand waren gekomen. We moesten allebei weer even op adem komen. ''Blijf hier, wacht op me. Ik ga zoeken naar iets waar we ons mee kunnen verdedigen en eventueel wat voedsel,'' ratelde ik. Ons huis was niet meer veilig, misschien wel beroofd of vernield. Ik trok mijn moeder zachtjes een één of ander leegstaand huis in, waar het relatief rustig leek. Ze liet duidelijk alles maar over zich heen komen - sinds mijn vader uit haar leven was verdwenen, was ze zo. ''Blijf hier en maak geen geluid, ik ben zo snel mogelijk terug,'' zei ik met een trillende stem. Ze knikte zwakjes en trok me in een knuffel. ''Ik hou van je, Ashley,'' fluisterde ze schor. Ik slikte even en drukte een kus op haar wang.
    ''Ik ook van jou, mam,'' prevelde ik. Ik glimlachte zwakjes voor ik het huisje uitrende en tussen de gebouwen verdween, op zoek naar iets bruikbaars. Ik had mezelf voorgenomen om geluiden te vermijden, maar mijn hart sloeg een slag over toen ik ergens kogelschoten hoorde. Het was dichterbij dan de bedoeling was en met een snelle beweging draaide ik me naar links, waar het geluid vandaan kwam. Ik hoorde stemmen en snelle voetstappen - waren dat mensen?
    Ik heb er niet veel gezien, aangezien de meesten aan het schuilen waren - of waren gestorven. Ik besloot het risico te nemen en geruisloos naar het pand te lopen waar het vandaan kwam. In mijn ooghoeken zag ik een stuk hout, wat er redelijk gevaarlijk uit zag door de spijkers die er uit staken. Ik raapte het op en sloop naar binnen.
    Er was rook, dus mijn zicht was deels verblind. Ik deed mijn best om niet te hoesten en hield mijn mouw voor mijn mond, terwijl ik doorliep en probeerde niks aan te stoten of mezelf op een andere manier te verraden. Ik liep een stukje verder, maar ondanks dat ik mijn mouw voor mijn mond hield, rolde er een ingehouden hoest over mijn lippen. Een onmenselijk geluid kwam van mijn rechterkant en direct hield ik mijn plank en spijkers in de aanslag; dit was niet goed. ..Ik had helemaal geen verstand over het omgaan met wapens, tot zover je dit een wapen kon noemen; improviseren, dus, en hopen dat ik dit zal overleven.
    Een silhouet werd al gauw zichtbaar in de vage rookwolken. Ik wist dat die lui wapens bij zich droegen, dus zonder er verder bij na te denken stormde ik op de levende dode af en ramde ik met mijn plank tegen zijn hoofd. Ik voelde hoe de spijkers zich in zijn hoofd boorden, maar ik wist dat dit slechts genoeg was om hem af te leiden. Ik trapte hem weg en had wat kracht gezet om de spijkers weer uit zijn hoofd te trekken, om zo snel mogelijk uit het magazijn te vluchten. Ik belandde in de T-splitsing en impulsief stormde ik de linkerkant op.

    [Sorry dat het zo crappy geschreven is, maar ik wilde niet tot morgen wachten. :/]


    "When all of your wishes are granted, many of your dreams will be destroyed.''

    Jacky Kendra Smith.
    Zo snel als we konden renden we weg, waar we uiteindelijk bij een T-splitsing terecht kwamen. Dit keer trok de jonge vrouw mij aan mijn arm mee en zei zachtjes 'deze kant op.' We gingen linksaf en kwamen uit bij een kantine. Er waren ramen, maar er was geen deur te bekennen.
    “You've gót to be kidding me right now.” En ik keek met een beschuldigend gezicht naar de vrouw toe. Ze was buiten adem en keek paniekerig rond.
    “Nice move, Sherlock.” Had ik sarcastisch geantwoord.
    “Next time, leave it up to me.”
          Zo snel als mijn hersenen konden probeerde ik snel een plan te bedenken voordat die freaks onze kant opkwamen. Ik zag een boel rommel liggen op de grond, vooral dozen en houten planken. Er kwam maar één ding op in mijn hoofd. Oké, eigenlijk twee, maar de eerste optie was niet zo handig aangezien wij dan de aandacht zouden trekken van de zombies. Dus molde ik die ramen maar niet. Ik pakte de arm van de jonge vrouw weer vast en wilde haar meetrekken, maar hoorde toen iemand of iets aan komen rennen.
    Ik keek instinctief snel om, met mijn handen weer het geweer omhoog gericht naar datgene wat eraan kwam en zag een andere jonge vrouw aanstormen. Ze had blond, lang haar en een blanke huid. Fijn, ook dat nog. Nog meer vrouwelijk gezelschap.
    “O, fijn. Please forgive me father, for if I have sinned,” en met dat ik dit mompelde richtte ik kort mijn hoofd naar boven. Ik moest me enorm tegenhouden en dat hielp ook wel als ik eraan dacht dat ik wel wat beters te doen had.
    De andere stappen werden steeds luider en ik pakte de beide jonge vrouwen vast bij hun arm en trok ze mee. “Meekomen,” had ik zachtjes gesist. De grote dozen opende ik, die in een donkere hoek ver van de ramen vandaan stonden, en ik beval ze erin te stappen. “Nu, of we zijn gatenkaas,” drong ik ze aan.

    Hopelijk hebben jullie er iets aan.

    [ bericht aangepast op 28 sep 2013 - 23:56 ]


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Chrissie Annabeth Jenkins

    “You've gót to be kidding me right now,” klonk het wat beschuldigend. Ik wierp haar een spijtige blik toe.“Nice move, Sherlock. Next time, leave it up to me.”
    “Dan hadden ze daar geen bordje met nooduitgang moeten zetten,” snauwde ik ietwat geïrriteerd terug.
    Mijn arm werd weer beetgepakt alsof toen er voetstappen weerklonken. Meteen hief ze haar pistool weer op wat er dan ook afgelopen kwam. “O, fijn. Please forgive me father, for if I have sinned.” Ze legde haar hoofd in haar nek alsof ze echt naar de hemel aan het praten was.
    Hetgene wat aankwam gelopen, bleek een andere vrouw te zijn. Zonder pardon werd zij ook met haar arm gegrepen en werden we meegetrokken. “Meekomen,” siste ze, terwijl ze ons meetrok naar een donkere hoek, waar ze ons dwong in dozen te kruipen. Ik vroeg me af of ik er wel in paste. Zij waren dan wel twee sprieten, maar ik niet. “Nu, of we zijn gatenkaas.”
    Zonder veel klagen kroop ik dan maar een doos in en bleef ik er in stilte zitten. Ik hoorde hoe de voetstappen dichterbij kwamen. Ik moest de drang weerstaan om niet te kijken, maar zelfs zonder kijken was dit al spannend genoeg.
    Stoelen werden omvergegooid, net zoals tafels. Het leek erop dat er druk naar ons gezocht werd.
    Mijn hart klopte in mijn keel en onbewust hield ik mijn adem in. De geluiden zorgden voor kippenvel op mijn armen. Misschien had ik mijn leven vroeger wat saai gevonden, maar om eerlijk te zijn vond ik mijn saaie leven heel wat leuker dan hier zitten wachten tot je wel of niet gevonden of gedood werd.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov