• • Out of Sight, Out of Mind

    Het is begin 19e eeuw (Victorian Era) en de hele wereld is net aan het herstellen van een oorlog die zojuist gestreden is, zo ook het stadje Bathum, de hoofdstad van het land Hawkscourt. Er heerst grote onrust onder het volk en sommige zijn zo ontevreden over het huidige bestuur dat ze soms samenkomen en de boel saboteren. Terwijl het volk denkt dat deze rebellen’ het grote gevaar zijn, ligt er een groter gevaar op de loer. Vampiers. De laatste tijd hebben ook zij het moeilijk gekregen, met name een clan uit het noorden. De clan is gekrompen naar tot een relatief klein aantal waardoor deze veel kwetsbaarder is en daarom heeft de clanleider, Silas, besloten dat hier verandering in moet komen. Bathum is de geschikte plaats om nieuwe leden te werven voor de clan. Echter is niet iedereen geschikt en de vampiers zullen zich onder de mensen moeten mengen om te kijken wie wel geschikt is voor het harde vampiersleven, terwijl ze hun identiteit verbogen moeten zien te houden.

    Rollen: Getallen voor de naam zijn paginanummers
    Vampiers:
    Clanleider:
    (1,1) Silas Underwood - 26/247 - 1e rang + ring - Hireath
    Rechterhand:(1,1) Idwallon Calhoun Underwood - 24/245 - 1e rang + ring - Goldenwing
    Verbannen: Vrij

    Leden:
    - (1,1) Alice Woods - 21/103 - 3e rangs - BastiIIe
    - (1,2) Amaris Rae Valora - 23/28 - 4e rang - Cassia
    - (2,10) Alexa Elizabeth Turner - 20/100 - 3e rang - Florentina

    - (1,6) Cedric Laurentius Salomon - 21 - 3e rangs - Delish
    - (1,6) Devon Evian Lilyton - Bachandale - 23 - 3e rang - DreamerN
    - (1,5) Mitchell "Mitch" Giacomo Bianchi - 22 - Tegen + leider - Florentina (Was mens)

    - Onbeperkt!

    Mensen:
    - (1,3) Vilkas Alexander Pace - 25 - Voor - Akatosh
    - (1,11) Elijah Hodkin - 20 - Tegen - Cashby

    - (1,9) Daenerys Éowyn Frey - 22 - Tegen - BastiIIe
    - Onbeperkt!


    Gaan dood:
    - (1,9) Elizabeth (V mens) Dood door Mitch
    - (2,1) Katharina (V, vampier) Dood door Idwallon
    - {1,7) Lucas Nilsson (M, mens) Dood door Cedric
    - (1) Oliver William Dust (M, vampier) Dood door Silias


    Sfeerimpressies 19e eeuw
    Als je googelet op Victorian era, Victorian fashion of gewoon in het Nederlands Victoriaans ___ dan vind je al een hele hoop (:
    Of de film Vanity Fair, dit is ook een erg goede inspiratiebron. Zoek wat trailers of personages op voor een goede indruk.

    [ bericht aangepast op 26 mei 2014 - 16:49 ]


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Vilkas Alexander Pace.
    Ik gromde zachtjes in mezelf toen ik eindelijk bij de openbare ‘wc’ kwam. Hij was buiten de herberg en bestond meer uit een diepe kuil in de grond waar ik om de zoveel tijd nieuwe aarde in schepte om de stank te bedoezelen, en een soort van houten kruk met een groot gat erin zodat je kon zitten. Ik kon nog leven met de stank, maar niet met het feit dat er gisteren een dronkenlap voor had gekotst én gekakt. Zo klein was dat gat niet, zo moeilijk was het niet mikken. Het feit dat ik het nu ook nog eens kon gaan opkuisen was nog twee keer zo erg. Met een vies gezicht probeerde ik alles weg te scheppen. Gelukkig moest ik mijn handen hier niet voor gebruiken.
    Met nog steeds een vies gezicht liep ik de herberg weer in, om daar al een late wakkere klant te zien. Daenerys had blijkbaar van haar verblijf genoten, want ze zag er alles behalve ontevreden uit.
    "Vilkas," zei ze, terwijl ze met haar geldbuidel zwaaide. Ik liep haar richting uit, richting de toog en begroette daarbij ook nog een paar gasten, die nog aan hun ontbijt zaten. "Hier, voor de kamer en een stuk brood om mee te nemen."
    Ik keek haar aan en glimlachte. “Dat is teveel.” Ik schoof de overige munten – ik was wel eerlijk, daarbij waren er genoeg gasten die het geld meer nodig hadden dan ik – weer naar haar toe en haalde een vers brood achter de toog vandaan. “Vers gebakken, het heeft nog warm. Maar niet te heet, je kunt het zo wel vastnemen. Wil je een mandje?” Ik kreeg altijd mandjes mee van de bakster, omdat de broden meestal nog veel te warm hadden als ik ze zo vroeg kwam halen. Ik voelde me niet al te fris, omdat ik zo laat was gaan slapen en er alweer zo vroeg uit moest. Volgens mij moeten de wallen onder mijn ogen zo goed als gigantisch zijn. Ik glimlachte in Daenerys richting. “Ik hoop dat je een leuk verblijf had? Zo niet, mag je het natuurlijk ook zeggen.”


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Elijah Hodkin

    Nu moest ik eerlijk bekennen dat ik ergens wel trots op mezelf was. Het gebeurde namelijk toch niet elke dag dat je als rebel, iets dat niet veel mensen wisten maar toch, werd uitgenodigd om bij een bestuurslid in huis te komen. Het was maar voor een simpele tekening, maar het gaf me wel genoeg tijd om eens rond te kijken en eventueel de meisjes iets of wat subtiel uithoren. Vrouwen kletsten graag over hun leven, dat had ik al een aantal keer kunnen ondervinden. Niet dat de dames die deel uit maakte van de rebellen veel loslieten over hun leven, maar ik had het dan ook meer over van die rijkeluisvrouwen die zich alles konden permitteren en graag klaagden over vanalles en nog wat. Ikzelf verzon meestal dingen om anderen te vertellen als ze naar mijn verleden vroegen. Niemand moest weten hoe wreed mijn vader was en zeker niemand moest medelijden met me hebben. Ik zou het tegenover anderen niet snel toegeven, maar het schouderklopje en de trots die in Mitchells stom doorgeklonken, betekende voor me meer dan de luidste lof uitingen die iemand me zou kunnen geven. Daarna had ik hem gewoon laten gaan. Het had absoluut geen zin om nog mee naar zijn huis te lopen alsof ik zijn oppas was. In plaats daarvan was ik gewoon verder gegaan met drinken, vond dat ik nog wel een biertje verdient na wat ik bereikt had. Een biertje werden er twee, twee werden er vier totdat ik dronken genoeg was om gewoon ergens op de grond in slaap te vallen.

    Natuurlijk zorgde dat er wel voor dat ik nu geweldig veel spierpijn en een gigantische kater had. Ach ja, dat waren de dingen die je erbij moest nemen als je je eens een nachtje wilde amuseren. Hetgeen waar ik me veel meer zorgen over maakte was het feit dat ik nu normaal in Vilkas’ herberg zou moeten staan om te helpen. In een sneltempo begaf ik me naar mijn huis om daar andere kleren aan te trekken en wat water in mijn gezicht te gooien. Aan de donkere kringen rond mijn ogen kon ik niet veel doen, dan zagen de mensen maar dat ik vannacht eigenlijk amper geslapen had. Nog altijd bezig met en dichtdoen van mijn broek verliet ik het kleine huisje weer om vijf minuten daarna de deur van de herberg open te duwen. Hijgend legde ik mijn onderarmen even op de toog om op adem te komen en sloot voor een kort moment mijn ogen. “Sorry.. dat ik laat ben.” Pas na een paar minuten was ik terug genoeg op adem gekomen om iets uit te brengen en verontschuldigend keek ik Vilkas even aan voordat ik mijn blauwe kijkers op Éowyn vestigde. Een kleine grijns vormde zich om mijn lippen toen ik eraan terug dacht dat ik haar nog moest vertellen wat ik volgende week kon gaan doen, maar voor nu waren er iets te veel mensen in de buurt. “Jij hebt zo te zien wel een goede nachtrust gehad.”


    -Hi, I'm Andy, also freaking out- Andy Gallagher

    Je hebt er waarschijnlijk niet veel aan, want ehh.. er word niet veel in gepraat. Maar hopelijk kun je er toch wat van verzinnen :].

    Cedric Laurentius Salomon, 21/138 • 3erangs.
    De woorden die uit mijn mond waren gegleden, waren niet bij haar onopgemerkt gebleven, net zo min als mijn doen en laten. Haar nekharen waren recht overeind gaan staan en er hing een andere sfeer bij haar.
    Rae was, in mijn ogen, niet een vrouw dat van zich afbeet. Ze was iemand die niet stevig in haar schoenen stond en wat onzeker was. Al had ze soms wel vermakelijke antwoorden klaar liggen. Zoiets had ik al meteen gezien toen ze voor werd gesteld in de Grote Zaal. De nieuwelingen waren altijd het leukste om op te jagen, maar stiekem gingen mijn gedachten naar Alexa toe. De enigste vrouw waar ik verbaasd over was om haar pittige karakter en haar antwoorden die ze altijd klaar had liggen. Wat een genot.

          En dat bewees al genoeg.
    Rae had gevraagd of ik haar wilde begeleiden bij het jagen en de gedachten die ik er al eerder over had waren uitgekomen. Ik wist dat sommige vampiers bang waren om het te verpesten de eerste keer, dat ze niet konden stoppen met het drinken. En als ze het wel voor elkaar hadden om een eerste leerlinge te maken, dan waren ze bang om dat te verprutsen en totaal niet wisten hoe ze dat moesten aanpakken. Het idee zelf is misschien goed, maar ze moesten het ook uitwerken en dat werd meestal een probleem.
          Toen de avond en nacht verstreek, waren Rae en ik er meteen op uitgegaan om te jagen. Wat ik natuurlijk erg geweldig vond, maar ik had aan Raes gezicht gezien dat ze het alles behalve geweldig vond. Of ze straalde alleen meer uit dan nervositeit. Ik had geglimlacht. De eerste keer dat ik op jacht ging was ook erg spannend voor mij, spannender dan normaal, maar ik keek er toch naar uit. Ik had een grote eigendunk dat het mij wel zou lukken, ik schepte er al zelfs mee op, maar tevergeefs – het lukte niet. Het was een verrukking al dat bloed dat zo mijn keel binnen gleed en ik kreeg er een soort gevoel van.. ik werd er opgewonden van. Ik kon niet stoppen. Met grote schaamte dacht ik eraan, maar had ik het niet toegegeven. Sindsdien praat ik er niet over. En ik wist zeker dat Cedric het heel anders zou aanpakken.
          We waren meerdere keren op zoek gegaan naar iemand, maar het lukte niet. Na de derde keer waren we van plan om te stoppen, want anders zouden de mensen zeker in opstand komen en dat was niet de bedoeling. Het was Rae mislukt om een leerlinge te transformeren, maar ik daarentegen had een van de mooiste leerlingen die ik in mijn hele leven had getransformeerd.
    Ik glimlachte bij het idee. Ze stribbelde eerst tegen en dat maakte het juist zo leuk. En haar bloed smaakte zoet, heel zoet.

    Ik stond nu in de donkerste gang, dat mijn favoriet was, en was van plan om naar mijn kamer te gaan. Wat rust zou mij goed doen.
          Vooral van die verschrikkelijke zonlicht.


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Alexa Elizabeth Turner ~ 3e rangs vampier

    Met ogen waarin een sprankeling van nieuwsgierigheid te zien was had Alexa, Alice aangekeken. Hoewel ze haar al een hele tijd niet meer gezien had, voelde het meteen weer vertrouwd. Het voelde alsof ze niet zo’n lange tijd weg was geweest, alsof ze enkel een dagje ergens heen was geweest. Zelf had ze niet het idee alsof ze echt veranderd was, al had ze wel veel geleerd, onder andere over zichzelf, tijdens haar reis. Alexa beloofde om Alice op haar volgende -onwaarschijnlijk grote- reis mee te nemen. Dat leek haar best een belevenis, niet alleen om de gezelligheid, maar ook om Alice eens uit haar comfortzone te halen. Misschien zou haar dat ook eens goed doen. Alexa kon nog steeds niet helemaal begrijpen dat Alice het fijner vond om ondergronds te leven. Zelf had ze meer de drang om zich nog in het daglicht te vertonen, al was dat niet altijd even handig. Maar ze begreep en respecteerde Alice in ieder opzicht in deze keuze en stond dan ook altijd volkomen achter haar. Plotseling leek er iets te veranderen in de lucht. De stemming sloeg merkbaar om. De stilte zorgde ervoor dat Alexa het ruisen van de wind opmerkte. Haar raam had ze open gezet. Het ritmische maar verdrietige getik van regendruppels die één voor één op het dak vielen past bij de gezichtsuitdrukking die Alice aannam. Alexa trok even één van haar dunne wenkbrauwen op. Ze wist al meteen dat er iets gebeurd was, waardoor Alice zich niet goed voelde. Ze deed niet gelijk haar mond open om haar naar het hele verhaal te vragen, dat vond ze ongepast. Daarbij kwam dat Alice nooit iets wat haar echt dwarszat lang voor zich kon houden en ze was dan ook niet verbaasd op het moment dat er een ratelende woordenstroom haar mond verliet. Niet één keer onderbrak ze haar. Ze liet de informatie tot zich doordringen, het was allemaal best wel veel om in één keer goed te bevatten. Vol medelijden keek ze haar vriendin aan, en knikte ze bij haar woorden. Wat een pech had Alice gehad. Ze voelde zich een enkel momentje even schuldig dat ze weg was gegaan, zomaar was teruggekomen en vrolijk over haar verhalen was begonnen te vertellen, terwijl haar vriendin zich per ongeluk in een ongelukkige situatie had weten te werken. Hoewel ze nog steeds nat was, vond ze dat Alice nog wel een goede knuffel verdiende. En die gaf ze dus aan haar. Samen met een klein lief kusje op haar wang, iets dat alleen Alexa zou doen, en ook alleen maar bij bepaalde mensen. “Ach arme Alice, je weet je wel weer in de problemen te werken in de tijd dat ik weg ben he?” een klein troostend glimlach speelde rond haar lippen. “Het is niet-“ Alexa wilde nog wat zeggen, maar voordat ze het wist, sprak Alice allerlei wanhopige woorden. Ze had haar niet vaak zo ongemakkelijk gezien. Het verhaal over de nieuwe leden had haar nieuwsgierig gemaakt, samen met het verhaal over de heer Underwood en zijn broer, maar ze besloot om wijs haar mond te houden. Ze vroeg zich toch stiekem af waar die twee het dan over hadden gehad maar dat waren haar zaken natuurlijk helemaal niet. “Ik kan niet iemand vinden, ik vermoord ze! Allemaal." sprak Alice. Alexa schudde haar hoofd. “Nee, nee , nee.. dat zul je niet” suste ze. Even verscheen er een bedenkelijke blik in Alice haar ogen. Ze dacht na over Alice haar laatste woorden. Ze moest iemand vinden, dat was een serieuze taak en die zou ze niet zomaar voor zich kunnen uitschuiven. Vroeg of laat zou ze echt iemand moeten hebben. Ze kon wel een hele tijd beweren dat er geen geschikte leden waren te vinden in het dorp, maar die leugens zouden op een gegeven moment het hele probleem alleen maar erger maken. Alexa bekeek haar vriendin nogmaals. Alice, een nieuw lid voor de clan laten vinden? Waarom, vroeg ze zich af. Natuurlijk wisten zij niet van haar probleem, maar moest werkelijk iedereen een lid vinden? Dan was hun clan meer uitgestorven dan dat ze had gedacht. Ze zag het werkelijk niet voor zich, dat Alice, op een goede manier, een lid zou kunnen vinden. Nee, dat zou gewoon geen optie zijn. Ze móest haar helpen. “Alice, jij gaat gewoon lekker geen nieuw lid vinden” zei ze vastbesloten met een glimlach tegen haar. Ze wilde geen tegenspraak. “We verzinnen wel iets, een plannetje, waardoor we toch wel iemand vinden, sámen” zei ze en ze begon een beetje de kamer rond te ijsberen. Tsja, een echt plan had Alexa niet, behalve dat zij een nieuw lid zou zoeken en Alice de eer gaf om deze op te nemen in de clan. “Weet je wat, ik vind wel gewoon iemand, dan kun jij hem of haar verwelkomen in de clan. En dat begeleiden fixen we ook wel, er zijn hier genoeg andere vampiers die wel een handje kunnen meehelpen” dacht ze hardop.


    Aan niets denken is ook denken.

    Yeah,, Hij is dus nogal lang, maar niet echt geweldig goed ofzo. het schrijven ging niet zo lekker op de een of andere manier en ik moest wat haasten >3<

    Daenerys Éowyn Frey ~ Rebel.

    Vilkas vertelde me dat ik teveel betaalde en schoof een paar munten terug. Een keuze die ik eerlijk, maar zeker niet slim kon noemen. Als ik hem was geweest, had ik het mooi gehouden, het ziende als een fooi. Toen Vilkas met het brood aankwam liep het water me in de mond. Blijkbaar had hij niet alleen lekkere bedden, maar ook goed brood. Het rook in ieder geval goddelijk en ik kon niet wachten om mijn tanden erin te zetten. "Vers gebakken, het is nog warm. Maar niet te heet, je kunt het zo wel vastnemen. Wil je een mandje?" vertelde Vilkas en er verscheen een scheve grijns op mijn gezicht. "Zie je mij al met zo een mandje lopen?" vroeg ik droog en op dat moment trok een nieuwe klant mijn aandacht. Elijah. Zwijgend liet ik mijn blik over hem heen glijden, hij hijgde nog na terwijl hij zich verontschuldigde en het was duidelijk te zien dat hij toch meer gedronken had dan hij had gemoeten. Gelukkig had hij daar, aan zijn wallen te zien, ook al voor moeten moeten. Ik wierp Elijah een afkeurende blik toe, had hij nou geen enkele zelfcontrole? "Jij hebt zo te zien wel een goede nachtrust gehad," zei hij tegen me. "Natuurlijk, ik heb mijn zaken wel orde." Nu richtte ik me tot Vilkas en vertelde hem dat hij het brood gewoon in een doek kon wikkelen. "Bedankt," zei ik toen ik het nu ingewikkelde stuk brood aannam, "ik kom zeker nog een keer langs." Dat was geen leugen. Het was misschien duurder dan thuis slapen en eten of in een andere halfbakken herberg, het was in ieder geval prettiger en eerlijk? Dat verdiende ik. Voordat ik vertrok richtte ik me nog tot Elijah: "En jou zie ik straks." In mijn woorden lag een zekere klank die aanduidde dat hij er niet aan kon ontkomen. Ik was dan niet de leider, maar dat betekende niet dat ik het accepteerde dat anderen ons in gevaar brachten of niks opbrachten.
    Eenmaal buiten haalde ik de doek opzij zodat er een stuk brood vrij kwam. Ik brak een stuk af en stopte het in mijn mond, blijkbaar was het niet slechts een verkooppraatje wat Vilkas had gehouden, want het was inderdaad goed. Misschien moest ik maar trouwen met een bakker, dan had ik elke dag zulk lekker brood dacht ik grimmig, wetende dat mijn leven nooit zo eenvoudig en makkelijk zou zijn.

    Toen ik thuis kwam had ik het brood al voor de helft op. Al gauw had ik besloten de rest te bewaren dus wikkelde ik het weer in en borg het op in één van mijn kastjes, om me vervolgens op totaal iets anders te richten. Gisternacht was ik er onder andere achter gekomen dat er vandaag een handelaar naar het dorp zou komen, met in zijn wagen vooral kleding gemaakt van de allerbeste stoffen. Normaal zou dat mijn aandacht niet trekken, maar ik had nieuwe kleding nodig en ook geld kon ik wel gebruiken. Waarschijnlijk zou ik wat van zijn waar op de zwarte markt kunnen verkopen of ruilen met één van de rebellen. Misschien hadden ze nog iets waardevols.
    Het nadeel was dat het overdag was, dus ik zou de spullen niet naar mijn huis kunnen brengen. Gelukkig hadden de rebellen een verlaten huis aan de rand van het dorp, vlak bij het bos, veroverd als schuilplaats. Hier kon ik makkelijk komen via donkere en vrijwel altijd verlaten straatjes, ik zou dus geen aandacht trekken en toch mijn buit die ik winst gemaakt had kunnen opbergen. Allereerst wilde ik mijn jurk uit en binnen een kwartier was ik klaar om te gaan. Ik had mijn jurk geruild voor een comfortabele, donkere broek met daaroverheen hoge laarzen van soepel leer die nauw om mijn benen sloten. Ik had ooit lang gespaard voor de laarzen en was er nog altijd ontzettend blij mee. Daarbij droeg ik een simpele trui met een lage, ronde hals. Gauw liet ik een werpmes in mijn laars zakken en ik pakte een leren zak om daar later de spullen in te doen. Hopelijk was hij groot genoeg.
    Nadat ik mijn deur op slot had gedaan was ik vertrokken, een route gekozen waarbij ik de hoofdstraat nauwkeurig vermeed. Op mijn weg richting het bos kwam ik langs onze schuilplaats en even overwoog ik om te kijken of Mitchell er al was, ik had zeker nog wat van hem te goed, maar ik besloot dat iedereen waarschijnlijk nog in zijn bed lag te genieten van een kater. Wel, ze verdienden het en ik hoopte dat ze flink lagen te creperen. Nog voordat ik me meer kon opwinden over het gedrag van de anderen had ik mijn volledige aandacht nodig voor het plan. Ik had de weg die door het bos liep bereikt en verborg mezelf tussen al het groen. Nu was het een kwestie van wachten, maar met een beetje mazzel zou het niet lang duren.

    Ik stond op het punt om te vertrekken er vanuit gaande dat het valse informatie was geweest, toen ik opgeschrikt werd door vogels die ineens allemaal wegvlogen, gevolgd door het geluid van paardenhoeven die een kar trokken. Meteen ging ik klaar zitten, mijn werpmes klaar in mijn hand. Het was een laffe aanval, dat gaf ik toe, maar eerlijk? Ik wilde geen risico lopen, het was midden op de dag en het laatste wat ik kon gebruiken waren gezocht-posters met mijn hoofd erop, met daaronder een flink geldbedrag. Al gauw kwam de paard en wagen in beeld en mijn blik was gefixeerd op de man die de paarden aanspoorde. Even voelde ik me naar over deze daad, de man was zo te zien nog jong en hij zag er niet onaantrekkelijk uit, maar hé, de één zijn dood was de ander zijn brood. Nietwaar? Zo gauw als het schuldgevoel gekomen was, verdween het gelukkig ook weer als sneeuw voor de zon. Vol overtuiging bewoog ik mijn arm met het werpmes naar achteren. Het laatste wat de jongeman gehoord zou hebben was het zachte gezoef van iets dat razendsnel door de lucht vloog, voordat het ding zijn hart doorboorde. Het gebeurde niet altijd dat het slachtoffer zo'n snelle dood stierf, maar het was wel altijd mijn doel. Moorden was misschien niet goed, maar het was wel alledaags en ik werd er niet warm van om iemand te martelen.
    Al gauw gleed de man levenloos van de kar en de paarden kwamen simpelweg tot een halt. Ik bleef nog langer zitten, voor het geval er nog meer mensen waren, maar zodra ik niemand meer verwachtte kwam ik gauw tevoorschijn. Het eerste wat ik deed was de paarden los maken die het daarna snel op een lopen zetten. Zonde, het waren prachtbeesten geweest, maar op dit moment kon ik er niks mee. Hierna betrad en trof daar precies aan wat ik gehoopt had. Gauw propte ik een stel leren laarzen en handschoenen in de zak, gemaakt van wat zo te zien goed leer was,, gevolgd door een paar sjalen die er behalve chique ook warm uitzagen. Hierna liet ik mijn blik over de kleding glijden, het zag er allemaal niet erg bruikbaar uit, maar mijn blik viel al gauw op een dieprode jurk. Hemel, hij was prachtig! Ik nam hem in mijn handen en bekeek hem eens goed, er nu vanover overtuigd dat hij me wel eens kon passen. Hij was simpel, maar niet saai met een diepe decolleté zoals alle jurken, maar dit deerde me niet. Het bovenlijf was wat strakker en vanaf de middel liep de jurk recht naar beneden, de mouwen hadden dezelfde vorm. Strak, gevolgd door een iets wijder uitlopend gedeelte. Ik zat daar een moment te twijfelen voordat ik ook de jurk bruut in mijn zak wist te proppen, gevolgd door nog een zak muntstukken en wat gedroogd vlees dat ik vond in de kar. Ik sprong uit de kar en liep naar het levenloze lichaam toe dat ik gauw onderzocht. Ik vond nog een zakhorloge en een mes dat hij bij zich droeg, één die hij nooit meer zou gebruiken. Mijn eigen werpmes trok ik uit zijn borstkas en veegde het schoon met een groot blad dat op de grond lag. De jongeman kleding zag er goed uit, maar ik was niet zo respectloos om hem hier bloot achter te laten. Daarbij vond ik het geen opwindende gedachte om een levenloze man uit te kleden. Al met al had ik een goede buit en voordat iemand mij of de man zou vinden ging ik van de weg af en liep parallel langs de weg terug naar het dorp terwijl ik het gedroogde vlees uit zijn kar opat. Eenmaal bij het dorp aangekomen werd mijn pas langzamer en ikzelf waakzamer. De zak die flink wat gewicht had was behoorlijk zwaar en ik kon er niet omheen, ook opvallend. Gelukkig was de schuilplaats een luttele 10 minuten lopen door een paar steegjes waar je je zelfs overdag liever niet bevond.

    Ik was ontzettend blij het vervallen pand te zien en liep naar de achterkant waar ik een luik openmaakte dat naar de kelder liep. Als eerst gooide ik de zak naar binnen voordat ik zelf volgde en het luik weer dicht trok. Het enkele licht dat ik kreeg was van de zon die door een paar kieren naar binnen scheen. Het was net genoeg om mijn weg naar de trap te vinden, waarna ik dit oude geval beklom terwijl hij onder me met een hoop gekraak luid protesteerde. Boven aangekomen kwam ik in een achtergelaten woonkamer, het gezin was ooit overhaast vertrokken waarbij ze alles achtergelaten hadden. De meeste spullen waren voor onze aankomst al weggeroofd, maar het meubilair stond er, oud en stoffig, nog wel. Tevreden zette ik de zak met mijn buit op een lage tafel bij de bank, maar haalde wel de dieprode jurk eruit. De jongens hoefde het niet te weten, echt niet. Wie weet wat ze zouden denken. Daarom besloot ik hem weg te stoppen, maar wist niet zo snel waar ik hem kon laten. Normaal gesproken had ik hem onder de planken van de vloer verstopt, maar wie weet wat voor rare beesten er dan aan de mooie stof zouden vreten. Daarom besloot ik hem in een kast te stoppen, er vanuit gaande dat er zoals gewoonlijk niemand in zou kijken. De jurk zou ik later mee naar huis nemen, maar eerst liet ik me neerploffen op de muffe bank en sloeg mijn benen over elkaar.

    [ bericht aangepast op 23 aug 2013 - 10:00 ]


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Amaris "Rae" Valora

    Met een ietwat treurige blik staarde ik op de kale muur terwijl ik me probeerde te herinneren wat er juist fout was gelopen. Waarom had ik ook gedacht dat het me wel zou lukken? Ik kon mijn eigen dorst nog niet eens beheersen, laat staan dat ik iemand anders kon transformeren. Schuldig sloeg ik mijn ogen neer en perste hierbij mijn lippen stijf op elkaar. Mijn lippen smaakte nog steeds naar het zoete bloed van mijn slachtoffer dat ik per ongeluk had gedood in een poging hem te transformeren.
    Nadat ik mijn ogen neersloeg, viel mijn blik op mijn bebloede handen die er waren gekomen nadat ik mijn mond had proberen af te vegen. Op mijn blauwe jurk zat ook wat bloed, maar dat zou ik er vast wel uit krijgen als ik het goed genoeg zou wassen. Het was mijn enige jurk die ik had. Misschien moest ik maar eens achter stoffen vragen zodat ik nieuwe jurken kon maken. Of ze zouden me ze ook kunnen schenken, hoewel ik niet zo zeker was of ik dat wel wilde.
    Ik leunde met mijn rug tegen de koele muur en keek eindelijk weer op om vervolgens mijn bloedrode lippen weer te ontsnappen. Al de moeite was voor niets geweest. Als Cedric niemand had kunnen transformeren, had ik me waarschijnlijk nog slechter gevoeld als nu. Maar toch kon ik het beschaamde gevoel niet zomaar van me afschudden. Ik was een mislukkeling, een regelrechte ramp met te weinig zelfbeheersing.
    Hij zou waarschijnlijk nooit meer op pad willen gaan met me, of toch zeker niet om mensen te transformeren en dat nam ik hem ook niet kwalijk. Waarom zou ik ook? Het was immers allemaal mijn eigen fout.
    "Sorry," Prevelde ik zacht nadat ik de hele terugweg geen woord had gesproken. Het klonk zo zacht dat ik twijfelde of hij het wel zou horen. Ik kon de moed niet bij elkaar halen om hem aan te kijken. Een verontschuldiging was wel wat ik hem verschuldigd was.
    Ik klemde mijn kaken op elkaar, kwam van de koele muur af en beende langzaam weg in de richting van de kamer die me eerder was toegewezen. Wat ik nu moest doen wist ik niet, maar hoe graag ik het ook wilde ik kon me niet voor eeuwig schuldig blijven voelen. Misschien was ik er gewoon niet klaar voor geweest en zou het me ooit wel lukken als de tijd er rijp voor was. Ik had gewoon beter moeten weten.


    Forget the risk and take the fall...If it's what you want, it's worth it all.

    Félice Mabel Delamore
    Stilletjes zit ik aan het ontbijt, terwijl mijn broers volop aan het praten zijn over het feest van gisteravond. Mijn eigen gedachten zitten ook bij het feest. Ik had nog een enige tijd met Devon staan praten en hij stemde er mee in dat hij de volgende middag wel langs kon komen. Hij leek ook opgemerkt te hebben dat ik me niet heel erg prettig voelde in het donker, aangezien hij aanbood dat hij me wel naar huis kon brengen, iets wat ik erg galant vond en ontzettende waardeerde, dat was waarschijnlijk zelfs zo geweest als ik niet bang zou zijn voor het donker. Ik houd wel van mannen met manieren. Over mannen met manieren gesproken, ik moet eigenlijk Vilkas nog bedanken voor het feit dat hij mij geholpen had. Ik heb zo meteen nog wel tijd om hem te zoeken.
    'Féli, hoe ben jij gister eigenlijk thuis gekomen?' vraagt Isaac ineens. 'Oh, iemand heeft me thuis gebracht.' Isaac kijkt me iets fronsend aan. 'Wie dan? Ken ik hem?' Ik rol met mijn ogen, daarom praatte ik dus niet mee met hun gesprek. Ik had gehoopt zo een verhoor te voorkomen. 'Hij heet Devon en hij komt hier trouwens vanmiddag langs.' Isaacs fronsende blik gaat naar wantrouwig. 'Ik ken geen Devon en waarom komt hij langs? Weet vader daar van?' Ik slaak een diepe zucht. 'Nee, vader weet er nog niet van en waarom hij langs komt dat gaat jou helemaal niks aan. Hij komt toch niet voor jou, dus het zijn jouw zaken ook niet.' Voordat hij kan protesten sta ik op. 'Ik moet nog iets doen. Ik zal jullie vanmiddag of vanavond weer zien.' Na deze woorden draai ik me om, met als plan om nu Vilkas te gaan zoeken.

    In het centrum van de stad loop ik langs een bakkerij, waar een heerlijke geur vandaan komt en waarop ik besluit dat ik eigenlijk wel iets voor Vilkas mee kan nemen. Ik loop de bakkerij in en na enkele minuten gewacht te hebben ben ik aan de beurt. Mijn ogen glijden over de taartjes en ik besluit voor een appeltaart te gaan. Nadat ik de appeltaart heb besteld realiseer ik me dat ik niet eens weet waar ik Vilkas kan vinden. 'Eh, weet u trouwens misschien waar Vilkas is?' vraag ik iets aarzelend, in de hoop de bakker hem kent. De bakker knikt en terwijl hij een appeltaartje voor mij pakt en die in een doos doet verteld hij waar ik Vilkas kan vinden. Er verschijnt een verbaasde uitdrukking op mijn gezicht, ik had niet verwacht dat Vilkas de eigenaar van Royal Oak zou zijn, ik had me hem eerder voorgesteld als een smid. Ik bedank de bakker en geef hem wat extra munten omdat hij mij had uitgelegd waar Vilkas was, waarna ik de bakkerij uit loop.
    Zo'n vijf minuten later sta ik voor de Royal Oak en loop ik iets aarzelend naar binnen, met de doos in mijn handen. Ik zie enkele gasten aan wat tafeltjes zitten en Vilkas bevindt zich bij de toog. Elijah is bij hem. Ik had liever gehad dat hij alleen zou zijn, maar ik mag Elijah wel dus echt erg is het niet. Nog steeds iets aarzelend loop ik naar ze toe en ga ik bij ze op een kruk zitten. 'Ik eh, wilde je nog bedanken voor gisteravond,' zeg ik tegen Vilkas terwijl ik de doos naar hem toeschuif. 'Dat je die man voor mij wegjaagde,' voeg ik er voor de zekerheid aan toe. Ik bedank eigenlijk zelden mensen en het voelt ook een beetje raar om het te doen. Het zou me niks verbazen als er zich een lichte blos op mijn wangen zouden bevinden.

    Sorry voor de flutpost, Shana D:


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Ik heb altijd de neiging achter nat iets te zetten van 'door te regen' oid :')

    Alice Woods ~ 3e rangs vampier.
    Als troost kreeg ik van Alexa nog een natte knuffel. Normaal gesproken zou ik me eraan storen dat ik nat of vochtig, en dus vies werd, maar ik waardeerde het gebaar zeer en nam de knuffel daarom maar al te graag in ontvangst. Het gaf me ook de troost waar ik op dit moment zo naar verlangde, precies van de persoon die ik al die tijd zo erg had gemist. Alexa had niet op een beter moment kunnen komen. Toen ze me knuffelde voelde ik ook hoe Alexa's lippen kort mijn wang raakte, een gebaar dat ik enkel van Alexa gewend was en het zorgde ervoor dat er ondanks alles kort een kleine glimlach op mijn gezicht verscheen. "Alice, jij gaat gewoon lekker geen nieuw lid vinden," vertelde Alexa mij en ook al klonk ze erg vastbesloten, ik was nog alles behalve overtuigd. Ik móést iemand vinden! Anders mocht ik niet terugkomen, alles aan heer Underwoods zijn houding en stem hadden me daarvan volledig overtuigd. Of hij me nu persoonlijk naar buiten zou sleuren betwijfelde ik, hij had vast betere dingen te doen, maar ik kon hem niet onder ogen komen voordat ik iemand gevonden had. Toch hield ik mijn mond en luisterde naar Alexa haar plan, ze wilde me immers helpen en het zou daarom erg bruut zijn haar nu al te onderbreken.
    "Alexa, dat is ontzettend lief, maar.. Maar ik wil niet iedereen erbij betrekken.." bracht ik zachtjes uit toen ze klaar was met praten. Ten eerste wilde ik niet zoveel vampiers tot last zijn, maar het was een feit dat ik me ook schaamde voor mijn gebreken. Dit hoorde geen probleem te zijn voor een vampier, vooral niet één zo oud als ik was. Ik hoorde me gewoon te kunnen mengen onder de mensen, ze te observeren en er vervolgens één begeleiden in zijn of haar nieuwe leven wanneer ik iemand veranderd had. Maar ik kon iemand niet góéd leren hoe hij of zij moest overleven, wat ze zwak en tevens een makkelijk slachtoffer zou maken. Natuurlijk zou ik ze de theorie kunnen uitleggen, dit hadden mijn ouders ook bij mij gedaan, maar zonder het ook daadwerkelijk toe te passen kon je het nooit goed leren. Zo hoefden mensen voor vechtkunsten echt niet bij mij aan te kloppen. Vechten was iets wat ik nog nooit had gedaan, echte gevechten had ik altijd gemeden. Ik was altijd al slecht geweest in vechten, omdat ik van nature agressief was, maar ik was ook slecht met wapens. Hierna had ik nooit de moeite genomen het ook echt te leren en hier was ik nu, zwak en onbenullig, niet vampierwaardig en ik had er spijt van. Ik verborg mijn gezicht in mijn handen, zuchtte een keer diep en keek toen Alexa weer aan. "Dit kan niet langer zo, ik moet me leren beheersen.." Ik beet kort op mijn lip, mijn honger leren beheersen zou pas de eerste stap zijn, er was nog zoveel meer dat ik moest leren. En dan had je nog Alexa, ze was net pas teug en ik had haar nu alweer nodig als een klein meisje, ik wilde haar niet zoveel lastig vallen, maar ik had haar nu ontzettend hard nodig. Alexa was de enige op wie ik kon rekenen wat dit betrof. "Wil je me helpen?" vroeg ik haar voorzichtig, "om mijn honger te leren beheersen bedoel ik." Ik friemelde aan mijn rok en dacht er even over na om haar ook te vragen of ze iemand kende die me zou willen leren vechten. Iemand die ik kon vertrouwen, omdat ik haar met enkel mijn slechte zelfbeheersing al genoeg lastig viel en haar dus ook niet wilde opzadelen met trainingen voor mij. Toch hield ik dit voor me, dat waren problemen voor later. "Ik kan nu niet boven de grond, maar als vanavond de zon onder is," ik slikte een keer, "zullen we dan naar het dorp?"


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Silas Underwood | Clanleader.

    Toen hij bovengronds kwam, begon hij enkele steegjes af te snuffelen. Welk prooi kon zijn dorst lessen, zodat hij dat verschrikkelijke mormel in hem tot stilte kon bedaren? Het was in feite ook lang geleden dat hij bloed verkregen had, hij had het te druk met andere zaken gehad, waaronder voor zijn clan zorgen. Misschien dat het beest nu erger was dan de laatste paar jaren, echter wilde hij absoluut niet terug zakken in die oude-staat. Silas herinnerde zich de onheil tijden helaas nog heel goed, als de dag van gisteren. In die periode had hij zelfs meerdere personen dood gebeten, leeg gedronken alsof het een drankje was voor een mens. Hij schaamde zich, herinnerde hoe hij zowat een gehele poos schuil had gehouden, omdat hij niet gezien wilde worden. Het vampier ras was toen in gevaar gebracht door hem, hij wilde dat niet op zijn geweten hebben.
    Tot nog toe had hij het veracht, en alles wat erbij hoorde. Dit zal niet meer terug normaal kunnen worden, hij zou geen mensenvoedsel meer binnen krijgen, nooit. Daarom zal hij ook niet de gedachte in zijn hoofd kunnen laten om ook maar iemand, wie dan ook, een vampier te maken. Behalve zijn broer dan. Zou hij nog woedend op hem zijn, ergens binnenin? In een donker hoekje misschien wel, bedacht Silas zich, terwijl de stegen nog altijd afstruinden.
          Geef nu even toe aan het beest, had hij gezegd, zijn broer. Hoewel de clanleider wist dat hij gelijk had, wilde hij het niet – hij had er zo’n afschuwelijke hekel aan dat hij een paar keer zelfs op het punt stond zichzelf tot een einde te brengen.
          Als je eerst de zang van Rae wilt afwachten richt je mogelijk alleen maar schade aan. Ook daar had zijn broer gelijk in, en daarbij vond hij het moedig van hem – hem voor te laten gaan. Silas had namelijk wel opgemerkt hoe ook Idwallon weer moest voeden, zo nu en dan voelde hij die enorme jaloezie weer naar boven kabbelen. Steeds sterker, tot een enorme, wilde rivier hem overmande van de groene steek. Hij kon tenminste wel het beest temmen, zonder de zang van iemand, Silas had niet anders gekund, anders verviel hij in zijn oude gewoontes. En die waren alles behalve prettig.
    Met een grom liep de man verder, die ondertussen zijn handen tot vuisten gebald had, om zo het laatste beetje zelfbeheersing te behouden. Het hielp niet veel, alleen wel een beetje en dat was genoeg voor hem om niet al die geuren te volgen – en elk beetje persoon van hun bloed te ontdoen. Inhouden, vertelde hij zichzelf, houdt jezelf nog in, Silas!
          Hij zag een man strompelen van het feestgedruis, terwijl de vampier zichzelf nog in de schaduw van de steeg hield. Zijn neus rimpelde iets door de drukte, aangezien hij er nooit zo van had gehouden. Wat was er mis met je tijd alleen verdoen? Het door brengen met een goed boek of zachte muziek? Hijzelf hield wel van instrumentale muziek, vooral de tonen van cello en piano bij elkaar. Hoewel hij zelf wel wat bespeelde, was dat jaren geleden, hij was ermee gestopt vanwege dit hele gedoe. Abrupt stokte zijn adem, het was bijna ironisch. De donkere kijkers van de man volgden de bewegingen van de ander, die duidelijk dronken was. Had hij zoveel gedronken, zich vergenoegd met de drank? Zo stil als de nacht liep hij hem achterna, en toen hij zeker wist dat iemand hen niet meer kon opmerken, trok hij de man mee. Bij een ander donker steegje, waarvan hij zeker wist dat het feestgedruis niet zou komen, drukte hij de desbetreffende knaap ruw tegen de barse, bakstenen muur. De smacht naar bloed leek hem dit keer wel degelijk ten val te brengen, aangezien het in zijn neusgaten begon te dringen, terwijl hij nergens bloedde. Toch?
    Tijd om hem te bestuderen had hij ook verder niet, hij wist enkel dat het een man was en ergens in zijn bewustzijn, in een donker plekje, had hij ook liever een heer. Vrouwen smaken anders, hun bloed is minder genoegend voor hem. Zijn ene hand lag om zijn nek, de ander hardhandig tegen zijn schouder, om tegelijkertijd zijn lijf tegen dat van hem aan te drukken. Hoewel de man al geen schijn van kans had om te ontsnappen, wilde Silas toch zekerheid hebben. Bovendien was hij ook nog eens dronken, hij kwam niet snel weg, tenzij iemand hen betrapte, dan moest hij maken dat hij weg kwam. De scherpe tanden vonden hun weg al naar het zachte stukje van zijn nek, die hij doorboorden en eindelijk – na een hele poos – proefde hij de aangename, zoetige, doch ietwat bittere vloeistof door zijn keel stromen. Hij werd er niet eens ontoepasselijk van, al zal dat nog wel gebeuren, maar voor nu verstevigden hij zijn greep. Zijn eens zo donkere kijkers hadden nu een felrode kleur, de gloed ervan deed hem altijd denken aan bloed.
          Hij stopte niet. Hoe meer hij dronk, hij meer hij wilde. De rode, stroperige vloeistof sijpelde langs zijn nek als een mooi lint, langs de mond en nek van Silas alsof het zo hoorde. Desondanks was het niet waar, zo hoorde het volkomen niet. De onverbiddelijke Silas was verdwenen, het mormel had alsnog gewonnen, al liet hij de witte vlag niet zien.
    Straks zou de vampier, clanleider voor nota bena, deze man in koelen bloede vermoord hebben. Alweer een mens die het onderspit moest delven voor hem. Stopte het dan nooit? En na een paar minuten was hij nog bezig – hij wilde stoppen, echt waar, alleen het beest nam hem toch weer over. Met de seconde werd hij banger, waar was Idwallon om hem dit keer te stoppen? Zijn broer paste beneden op, dit keer was hij niet te redden. Eveneens voor de jongeman die in zijn greep vast zat. De schaamte kwam de kop weer op, zelfs dat stopte hem niet. Een luide grauw klonk, en hij schrok ervan toen hij erachter kwam dat hij dat geluid had geproduceerd. Hij was in herhaling vervallen, hij wist niet zeker of het te stoppen was.
          Uiteindelijk dwong hij zichzelf om zich van hem los te maken, want hij voelde de man zijn houding in elkaar zakken, hij had bijna geen bloed meer over. Direct toen hij hem losliet, zakte hij (Mitchell) richting de grond, vanwege het vele bloedverlies. Het stroomde nog door, zijn hele nek was rood en nu pas merkte Silas bij zichzelf op hoe hij stond. Helemaal tegen de andere muur aan gedrukt, met een hevige, hese ademhaling en zijn neusvleugels open, aangezien die roestige geur nog bij hem binnendrong. Het bedwelmde hem, echter hij was angstig, en vol spanning wachtte hij af.
    Ondertussen werd het langzaamaan dag. Een snelle blik op zijn ring was het enige dat hij nodig had, hij zou het wel redden. Alleen…
          ‘Sta op,’ gebiedt hij, een barse stem en een lijf vol onrust. Hij bewoog echter niet, Silas werd met de seconde onrustiger – hij begon in paniek te raken. ‘Sta op!’ schreeuwde hij zowat, niet eens denkend aan de andere mensen, die misschien wel langs zouden kunnen lopen op het moment. Nee, hij dacht alleen terug aan die verschrikkelijke tijd, dat hij nu weer een persoon vermoordt zou hebben. De mist in zijn hoofd werd nog meer gedicht, waardoor hij niet eens de mogelijkheid helder na te denken. Bloed drupte van zijn kin op de grond en langs zijn hals, maar hij lette er niet op. Volgens mij lag er zelfs een enorme angst in zijn ogen, die blik zou niet meer hetzelfde zijn. Totdat hij zich wat wist te bedaren, hij mocht niet doodgaan!
          Met een haastige pas liep hij richting de persoon op de grond, pakte hem op, wankelde iets door de geur die hem weer bedwelmde en probeerde zich te bedenken waar hij vandaan kwam. Zonder nog op of om te kijken, rende hij terug, zo snel als hij kon. Natuurlijk deerde het hem wel als iemand hem zou zien, enkel momenteel was hij met iets belangrijkers bezig. Nu het gevoed was, die verdomde steek schaamte weer, besloot hij voor deze persoon te zorgen. Geen doden meer, hield hij zichzelf voor, nooit en te nimmer weer. Hij kon zich echter niet goed genoeg concentreren, waardoor het te lang voor hem duurde voor hij enigszins de doorgang weer bereikt had. Die angst was immers niet direct over, dat behield hij wel voor een poosje.
    Wanneer hij weer ondergronds was, probeerde hij de andere te vermijden, die de geur vast wel zouden ruiken. Stom waren ze niet, absoluut niet. Hierom sloot hij zich op in zijn kamer, hij wilde niet gestoord worden. De mannelijke persoon legde hij op zijn bed en Silas merkte op hoe hij weer wat beter na kon denken, zo handelde hij ook handiger toen hij zijn nek begon schoon te maken en zijn nek te verbinden. Wat was handig? Deze man lag dood te gaan, hij had bloed nodig. Hij wist dat hij zijn verantwoordelijkheid moest nemen; Idwallon moest hiervan afweten, dus besloot hij hem te verwittigen. Gauw haalde hij zijn hand langs zijn mond, waardoor het rood wat weggeveegd was. Toch nam hij zich voor om zijn pols met touw aan het bed te verbinden, je wist maar nooit of hij wel kon ontsnappen en hier was het geen goed idee om als mens – en zeker in zo’n staat – rond te dwalen.
          Als de bliksem stapte hij naar Idwallon, bij hem aangekomen, keek hij hem met dodelijke ernst aan.
          ‘Het is weer begonnen,’ vertelde hij hem, een lichte toon van angst er nog doorheen, maar voornamelijk ernstig, zodat hij wist dat het menens was. ‘Volg mij, Idwallon, er is iets wat je moet zien.’ Hij liep al weg voor zijn broer antwoord kon geven, toen hij echter voor zijn eigen deur stond, draaide hij nog eens naar hem om.
          ‘Houdt het beest van je binnen, hij ligt al op het randje van heengaan.’ En dat is mijn schuld, voegde hij in zijn gedachtegang toe voor hij de deur opende en zijn broer het resultaat liet zijn. Wel sloot hij de deur gelijk toen Idwallon de kamer betrad. Hij was klaar om een tirade naar zijn hoofd geworpen te krijgen, dus sloot hij schuldbeladen zijn ogen.


    Quiet the mind, and the soul will speak.

    Zo lang al niet met Mitch geschreven, dus hoop dat het wat is..
    ~~~
    Mitchell Giacomo Bianchi ~ Rebel

    Nadat Elijah weg was, was hij verder gelopen. Of gestrompeld, zo kon je het eerder noemen. Hij liep nou niet bepaald hard. Voor zover hij wist had hij ook geen haast, dus veel maakte het hem niet uit. Hij kreeg maar weinig mee met wat er om zich heen gebeurde, maar zijn ogen schoten wel schichtig heen en weer. Het waren niet bepaald de meest veilige straten waar hij zich in waande, maar veel kon het hem ook niet schelen. Het was sneller en alhoewel hij wel vaker veilig thuis was beland als hij erg aangeschoten of dronken was, was het altijd maar weer de vraag wat er op zijn pad zou komen. De muren leken half op hem af te komen, al wist zijn verstand dat muren niet op je af konden komen, toch zette hij een paar stappen naar achteren. Zo ging het nooit wat worden zei een ander stemmetje in zijn hoofd. De enige gedachte in zijn hoofd die nog wat verstand opriep, maar die al snel werd verdrongen. Hij staarde nu maar naar de grond voor zich, een tactiek die ervoor zorgde dat de muren hem niet meer duizelig maakte. Als hij een stuk nuchterder was geweest, was hij hoogstwaarschijnlijk een stuk alerter geweest. Dan had hij op een gegeven moment wel gemerkt dat er iemand achter hem naar het kijken was. Dan was hij meteen in actie gekomen. Maar nu schrok hij zich bijna dood door de plotselinge aanraking, hij had niet verwacht dat ook maar iemand in dit steegje zou lopen, laat staan dat hij meegetrokken zou worden. In zijn toestand had hij niet de juiste reflexen om goed te kunnen reageren, en voordat hij het wist stond hij al tegen de muur aangedrukt. Een positie waar hij dan ook nooit maar ook nooit in wilde verkeren. En waar hij ook nooit in terecht zou komen als hij niet zo stom was geweest om zich lam te zuipen. De meest onzinnige gedachtes schoten door hem heen terwijl hij door -een vreemdeling die hij helemaal niet kon bekijken in het donker- tegen de muur werd gehouden. Gek genoeg voelde hij niet meteen angst. Hij was niet snel bang, absoluut niet, maar hier zou hij normaal gesproken wel van opschrikken. Maar hij was er niet bij met zijn hoofd, want hij dacht meer aan dat de bakstenen van de muur tegenover hem hem irriteerden. Dat hij liever zijn gezicht wilde omdraaien om niet naar die bakstenen te kijken, die echt op hem af leken te komen. En dat de muur koud was, heel koud. Zijn instinct was nog niet verdwenen. Hij wilde deze vreemdeling met alle kracht die hij had van zich af duwen, trekken, spugen, duizenden acties kwamen in zijn hoofd op die hij kon doen. Hij liet zich niet zomaar tegen een muur aandrukken, daar werd hij kwaad van, maar in plaats van dat hij ook maar iets deed, deed hij niets. Het was alsof hij zich al besefte dat hij geen schijn van kans had tegen deze vreemdeling. Al kon hij zijn gezicht niet goed zien, zijn postuur niet goed inschatten en helemaal niet weten over hoeveel kracht dit persoon beschikte. Het had geen zin meer. De vreemdeling had hem stevig tegen de muur weten te drukken. Er was een hand om zijn nek en tegen zijn schouder die ervoor zorgde dat hij niets kon uithalen. Hij had verwacht een mes om zijn keel te krijgen, een schop in zijn maag, maar de actie die de vreemdeling uithaalde was geheel onverwachts. Zijn lichaam verstijfde meteen, op het moment dat hij iets scherps in zijn nek voelde. Wat het was wist hij niet, maar het voelde allerminst als goed aan. Opeens ging de tijd razendsnel. Het ene moment kon hij nog enigszins helder denken, het andere moment werd alles steeds waziger en waziger en wist hij niet meer wat er gebeurde. Hij had geen kracht meer om op te kijken, dus sloten zijn ogen zich. Geen kracht meer om ook maar een enkele beweging te maken. Uiteindelijk hadden zijn benen de kracht niet meer om hem te dragen en zakte hij in elkaar, als een puddinkje. Zijn ademhaling werd steeds onregelmatiger, totdat alles echt zwart werd en hij bewusteloos op de grond lag. Nu had hij werkelijk helemaal niets meer door. Hij voelde niet hoe hij werd opgetild door de vreemdeling, en wist ook niet dat zijn lichaam gedragen werd naar een voor hem compleet onbekende plek. Af en toe stokte zijn ademhaling, leek het alsof hij plots ophield met ademhalen voor een aantal seconden, om even later weer een beetje op gang te komen. Een tijd later werd hij wakker. Meteen opende hij zijn ogen, en schoten deze snel door de omgeving. Een benauwd gevoel bekroop hem, eerst deed het alleen zijn adem stokken, maar toen schoot het door zijn hele lichaam. Hij had zijn ogen lang genoeg open gehad om te voelen hoe slecht hij eraan toe was, hoe zwak hij zich voelde en om te weten dat dit niet een omgeving was die hij in de verste verte herkende. Heel even had hij zijn ogen nog open, maar hoezeer hij zijn best deed om wakker te blijven, de luikjes voor zijn ogen leken zich automatisch weer te sluiten. Een hoestend geluid kwam uit zijn mond, hij dacht dat hij overgaf, maar hij hoestte moeizaam zijn eigen bloed uit zijn mond. Bloed dat het witte laken waarop hij lag bevuilde. Meteen na dit gekuch kon hij nergens meer aan denken en was hij weer bewusteloos. Als een lappenpop lag hij op het bed, het touw aan zijn pols was helemaal niet nodig, hij lag zo stil als het maar kon. Geen enkele beweging en geluid wees erop dat hij leefde, alleen zijn zachte, af en toe stokkende, ademhaling wees op tekenen van leven.


    Aan niets denken is ook denken.

    Vilkas Alexander Pace

    Er verscheen een scheve grijns op Daenerys gezicht toen ik vroeg of ze een mandje wilde. "Zie je mij al met zo een mandje lopen?"
    Ik grijnsde terug, op dezelfde manier als zij. Misschien ietwat spottender, maar dat was niet met opzet. “Eigenlijk wel,” grinnikte ik zachtjes. Dat zou haar imago als bloedserieuze vrouw waarschijnlijk niet goed doen, maar ik zag het wel al gebeuren. Maar eerder als weddenschap dan.
    Op dat moment ging de deur weer open en kwam een gehaaste Elijah binnenlopen. Hij zag er in één woord ‘op’ uit. Hij had de grootste zombieringen onder zijn ogen die ik ooit had gezien en zo te zien leek hij ook gehaast te zijn vanmorgen. “Sorry…,” begon hij. “Dat ik laat ben.” Hij moest nog even uithijgen na zijn partijtje rennen.
    Ik trok een wenkbrauw op. “Ik dacht dat ik jou vrij had gegeven,” zei ik hem met opgetrokken wenkbrauwen. Nou ja, ik kende Elijah en volgens mij had ik hem echt vrij gegeven. “Maar nu je er toch bent, ik kan wel wat hulp gebruiken. Maar misschien moet je eerst even wat gaan zitten.” Hij mocht blij zijn dat hij zo laat was, anders had ik hem die wc laten opkuisen. Maar het was al gedaan dus hij mocht zijn beide handjes kussen.
    Daenerys’ afkeurende blik op Elijah was me niet ontgaan. Ik snapte niet wat vrouwen hadden tegen mannen die graag wat dronken. Oké, sommige overdreven wel. Maar als ze dat leuk vonden, was dat toch hun probleem? "Jij hebt zo te zien wel een goede nachtrust gehad,” mompelde Elijah tegen haar, waarop Daenerys hooghartig antwoordde: "Natuurlijk, ik heb mijn zaken wel orde." Daarna draaide ze zich in mijn richting en zei ze dat ik het brood maar in een doek moest wikkelen.
    Ik knikte en haalde een witte doek uit een van de mandjes, om het daarna zorgvuldig om het brood te wikkelen en aan haar te geven. "Bedankt. Ik kom zeker nog een keer langs." Ik knikte dankbaar. Het was leuk te horen – toch zeker van zo iemand als zij – dat ze het hier goed vond. "En jou zie ik straks,” zei ze nog steeds met duidelijke minachting en een vleugje commando in haar stem tegen Elijah.
    Toen Daenerys weer naar buiten was gelopen, richtte ik mijn blik weer op Elijah. Ik grijnsde half, maar niet zo dat ik het echt leuk leek te vinden dat er nog zoveel sporen van gisteren nacht aan hem te zien waren. Ik zag er daarbij niet veel beter uit. “Denk je dat je veel aankan vandaag, of laat ik je maar gewoon achter de bar staan en mensen kamers geven?”
    Niet veel later ging de deur voor de tweede keer open. Een klein gedaante met dik, krullerig haar kwam richting de bar gelopen met een doos in haar handen. Dit was wel de laatste plaats waar ik Félice zou verwachten. “Ik ehm,” begon ze toen ze bij de bar gekomen was. “Wilde je nog bedanken voor gisteren avond. Die man die je wegjaagde.”
    En simpele ‘dankjewel’ had voor me ook wel volstaan, maar dit was zelfs nog beter. Haar wangen waren lichtrood gekleurd, wat best schattig stond. Nieuwsgierig opende ik de doos, waarna er brede glimlach op mijn gezicht verscheen. Appeltaart, mijn favoriete taart. “Dankjewel, Félice,” zei ik, als bedankje op de taart. “En dat is graag gedaan. Ik ga hem even vanachter zetten, zodat ik er vanmiddag van kan eten.”
    Ik nam de doos met me mee en opende de deur achter de toog, die uitkwam op een klein kamertje waar alle sleutels van de kamers hingen en een klein tafeltje met een stoel stond waar een hoop papier op lag. De doos zette ik op de tafel neer en ik liep terug naar de bar.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Elijah Hodkin

    Het was echt al een hele tijd geleden eer ik nog eens zo hard had gelopen om ergens te raken. Mijn conditie was dan ook niet direct erg goed te noemen en ik maakte een aantekening voor mezelf dat ik daaraan moest gaan werken. Het kon zo gebeuren dat ik zou moeten rennen voor mijn leven en niemand zou iets aan me hebben als ze me de eerste tien meter al te pakken zouden krijgen. Wat verward keek ik op toen Vilkas’ woorden tot me doordrongen. Wat, had hij me echt vrij gegeven, had ik nu echt makkelijk mijn bed in kunnen kruipen om de geweldige kater die ik momenteel had uit te slapen? Een paar krachttermen die menig persoon waarschijnlijk een hartverzakking zou laten krijgen, verlieten mompelend mijn lippen terwijl ik me aan de bar zette en mijn hoofd kort op mijn armen liet rusten. Verrekte drank ook, die vloeistof zorgde er alleen maar voor dat mijn geheugen gaten begon te vertonen en was eigenlijk nergens goed voor. Ieder ander zou nu zichzelf de belofte gemaakt hebben om nooit meer zoveel te drinken, maar ik wist van mezelf dat ik die belofte volgend jaar of zelfs eerder weer zou verbreken. Éowyn kon me echt zoveel afkeurende blikken toewerpen als ze wilde, het zou toch niks helpen. De verleiding was gewoon te groot om naar de drank te grijpen om zo alles even te vergeten. Mijn vader, de Rebellen, gewoon alles. Pas toen ik fatsoenlijk op adem was gekomen, hief ik mijn hoofd terug op om daarna meteen de opmerking te maken dat Éowyn blijkbaar een geweldige nachtrust achter de rug had. Ik kon het niet laten om even met mijn ogen te draaien toen ik een opmerking terugkreeg. “Aye, C’ptain,” reageerde ik nadat ze duidelijk had gemaakt dat ik haar straks moest opzoeken en grijnsde even onschuldig. “Denk je dat je veel aankan vandaag, of laat ik je maar gewoon achter de bar staan en mensen kamers geven?” Voor een kort moment tuitte ik nadenkend mijn lippen om daarna mijn schouders op te halen. “Ik denk dat ik het wel red al kan het best zijn dat je me straks wel even moet wakker maken.” De grijns die op mijn gezicht stond maakte duidelijk dat dat laatste maar een grapje was, al kon het wel eens goed zijn dat ik me binnen nu en een paar uur ergens in een bezemkast zou verstoppen om daar mijn roes even uit te slapen. Op het eerste gezicht gaf ik niet zoveel aandacht aan de klanten die binnenkwamen, maar toen een bekend figuur naar de toog liep, was ik ineens een heel stuk levendiger dan ene paar seconden daarvoor. Met grote interesse keek ik naar de doos die op de toog werd gezet en meteen strekte ik mijn nek in een poging om te kunnen zien wat er in de doos zat. De geur vertelde dat het iets lekker was, maar nog voor ik kon zien wat dat lekkers juist was, werd de doos al weer dicht geklapt en aan de kant gezet. Met een lichte pruillip ging ik terug fatsoenlijk op mijn stoel zitte, maar die pruillip veranderde al snel in een vriendelijke glimlach vanaf het moment dat ik me tot het meisje richtte. “Daar is Vilkas nu eenmaal goed in, mooie meisjes beschermen tegen het uitschot van de straat.” De glimlach veranderde in een iets of wat ondeugende grijns, maar zoals altijd lachten mijn blauwe kijkers niet mee. Ze stonden dof en hadden menig mens al laten afvragen wat hij juist had meegemaakt in het verleden. De mensen die het lef hadden om het te vragen werden meestal afgewimpeld met de woorden dat het hun zaken niet waren. “En Félice, is de rest van de avond nog goed verlopen?”


    -Hi, I'm Andy, also freaking out- Andy Gallagher

    Ash.
    Het was bij het invallen van de dag dat de knorrige jongeman zijn weg naar het dorp had gevonden. De modderige paden hadden gezorgd voor modderspetters op zijn dure broek. Hoe fijn de stof ook mocht wezen, veel om kleding gaf hij niet. Materie was niet belangrijk, niet als het vervangen kon worden.
    Een afgedwaalde kip merkte zijn aanwezigheid op. Het diertje hield zijn hoofd schuin en bleef hem aankijken met de gebruikelijke kraaloogjes. Ash trok een tel zijn mondhoek op, vervolgens liep hij het kleine wezen voorbij.
    Ondanks het feit dat hij eruit zag alsof hij alles wat op de wereld liep kon vernietigen, betekende het niet dat hij het daadwerkelijk deed. Het dier had hem niets misdaan, andersom zou hij het ook niet pijnigen.
    De wind speelde met de puntjes van zijn haar. Als hij een mens was geweest, dan had hij nu zeker weten kippenvel gehad. Jammer was wel dat hij geen mens meer was. Er was niet zoiets als bloed dat door zijn aderen pompte. Laat staan dat hij een hart kon horen kloppen.
    Van binnen was hij net zo goed dood als van buiten. Niet alleen op lichamelijke basis, maar ook zeker qua karakter. Soms vroeg hij zichzelf af waarom hij nog rondliep. Wat was de drijfveer die hem voorwaarts liet gaan?
    Ash mengde zich onder het weinige volk wat inmiddels alweer uit alle kieren en gaten van het stadje waren gekomen. Het leven begon voor deze mens al bij de ochtend dauw. Misschien zelfs voor deze daadwerkelijk was ingetreden.
    Zijn intenties waren simpel, hij was slechts kort op bezoek om de kleine benodigdheden te verzamelen. Ondanks het feit dat hij zich niet graag mengde in de wereld van de vampiers, moest hij toch weten welke nieuwtjes er rond gingen.
    Verward keek hij op eenmaal een geur zijn neus bereikte. Zijn neusvleugels trilden een fractie van een seconde voor hij makkelijk de bron van de geur vond.
    De jongedame stond bij een van de kraampjes. Blijkbaar had ze een van de aardwerken potten laten vallen, deze had voor een prachtige snee gezorgd.
    De geur was als een zoete, rode wijn op een zwoele zomeravond. Het maakte hem duizelig. Zelfs na al die jaren kon hij nog een zekere respect opbrengen voor de pracht van de rode substantie.
    Voor hij het wist had hij zichzelf in beweging gezet. Zijn benen brachten hem waar hij wilde zijn, terwijl zijn hoofd andere dingen vertelde.
    ‘Goedemorgen, juffrouw.’ Sprak hij met zijn diep schorre stem. ‘Heeft u enig idee waar ik onderdak kan vinden voor de nacht?’
    Ash deed alsof hij de snee niet had gezien, maar hij wist beter. Heel subtiel liet hij zijn ogen afglijden. ‘U bent gewond,’ stelde hij simpel. Uit het zakje van zijn jasje haalde hij een zijden zakdoek. Zwijgend reikte hij haar deze aan.
    Of ze hem aannam, dat was haar eigen keuze.


    The woods are lovely, dark and deep. But I have promises to keep, and miles to go before I sleep.

    Daenerys Éowyn Frey ~ Rebel.
    Ik was het stilzitten al gauw beu en bedacht me dat het nog pittig lang kon duren voor ofwel Mitchell, ofwel Elija op zouden kunnen komen dagen. Daarom besloot ik mijn buit te verstoppen in dezelfde kast waar ik mijn jurk had gelegd. Ik zou er gauw genoeg achter komen als er iets ontbrak en er waren maar weinig mensen die de dader konden zijn. Het mes dat ik eerder had gebruikt zat nog altijd onder het bloed, maar dit was inmiddels opgedroogd, dus liet ik het weer in mijn laars zakken. Deze zou ik later wel schoonmaken, bedacht ik me, terwijl ik het pand verliet.
    Na een korte wandeling begaf ik me al gauw weer onder de mensen en ik kwam er al gauw achter dat er weer een markt was. Geen zwarte markt, maar een gewone. Ik besloot dat ik daar wel even kon rondkijken en voegde daad bij het woord. De markt was altijd een goede plek om informatie te verzamelen, erachter te komen wat voor prijzen iedereen hanteerde en wie de boel belazerde of niet. Ik kwam er al gauw achter dat Henk weer een paar oude schapen probeerde te verkopen voor een veel te groot bedrag, en ook dat gekke Beth haar soep weer goed verkocht. Niemand kende die vrouw haar recepten of wat er ook maar in zat, het was in ieder geval heerlijk en er was niemand die het tegen zou spreken. Mijn oog viel echter op een kraam die ik niet kende, noch de man die erachter stond en ik liep er dan ook heen. Hij verkocht aardewerken potten en terwijl ik zo een ding in mijn handen nam vroeg ik me af waarom iemand er zoveel geld voor wilde neerleggen. Net toen ik hem weer terug wilde zetten, voordat de man zou verwachten dat ik hem zou kopen, stootte iemand tegen me aan en viel de pot uit mijn handen. Ik onderdrukte de neiging om te vloeken, die versterkt werd door het feit dat ik mijn vinger opengehaald had.
    "Dat wordt betalen juffie!" riep de man achter het kraampje al triomfantelijk en de boeren pummel die me haast omver had gelopen was al nergens meer te bekennen. Ik opende mijn mond al om luid te protesteren toen er een man naar me toe kwam lopen. Hij was net gekleed, al was zijn broek niet spatzuiver meer door de modder en plassen, en zijn blauwe ogen stonden in fel contrast met zijn donkere haren. Hij had ook een stoppelbaardje en ik kon niet ontkennen dat ik dat nog nooit onaantrekkelijk had gevonden bij een man.
    "Goedemorgen, juffrouw. Heeft u enig idee waar ik onderdak kan vinden voor de nacht?" vroeg hij en nog voordat ik kon antwoorden merkte hij op dat ik gewond was. Alhoewel ik het zelf bij lange na niet gewond zou noemen. Hij reikte me een zakdoek aan, maar behalve dit zag ik ook een zegelring die rond zijn vinger zat. "Ik heb geen hulp nodig," antwoordde ik en weigerde de zakdoek aan te nemen, maar toen ik me realiseerde dat ik niks anders had, en ik was écht niet van plan het bloed in het openbaar weg te likken, nam ik de zakdoek met tegenzin aan en veegde het bloed ermee weg. Aangezien het bloeden nog niet gestopt leek hield ik hem er nog even tegenaan gedrukt terwijl ik de mysterieuze man voor me nog eens goed bekeek. Die ring.. Die ogen met die blik en die scherpe kaaklijn.. De radartjes in mijn hoofd werkten op volle toeren en net toen ik dacht dat het antwoord me te binnen zou schieten, onderbrak de man achter de kraam me: "Zeg, gaan we nog betalen juffie, of hoe zit dat?"
    Verontwaardigd keek ik de man aan. "Natuurlijk niet, ik ben niet stom! U zag net zo goed als ieder ander dat die lompe pummel die pot uit mijn handen liep!" antwoordde ik terwijl ik hem met een strakke blik aankeek, "Bovendien was dat ding zijn geld niet waar, vuile oplichter," voegde ik er nog aan toe. Ik had mijn rug gerecht en de woorden die de man me daarop weer toewierp gingen grotendeels langs me heen. Wie dacht hij wel niet dat hij was?! Het liefst had ik mijn mes op zijn keel gezet om hem een toontje lager te laten zingen, zijn geschreeuw had immers ook al voor een hoop kijkers gezorgd. Natuurlijk, de dorpelingen waren dol op drama en wilden alles opzuigen als een grote spons. Toch was er niemand die zijn mond opendeed, niet dat ik hulp nodig had, maar het verbaasde me altijd weer. De man maakte me uit voor van alles en nog wat en ik haalde minachtend mijn neus op. "Er zijn wel ergere dingen in de wereld." Met die woorden draaide ik me om en wilde weglopen, de mysterieuze man die me zijn zakdoek had toegereikt alweer helemaal vergeten.


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Félice Mabel Delamore
    Met een nieuwsgierige blik op zijn gezicht opent Vilkas de doos. Elijah lijkt ook erg nieuwsgierig te zijn, aangezien hij zijn nek strekt en probeert te zien wat er in de doos zit. Vilkas heeft inmiddels de inhoud van de doos gezien en er is een brede glimlach op zijn gezicht verschenen. 'Dankjewel, Félice. En dat is graag gedaan. Ik ga hem even vanachter zetten, zodat ik er vanmiddag van kan eten.'
    Wanneer Vilkas terug is bijt ik aarzelend op mijn lip. 'Als je het niet lust, dan kan ik ook wel een andere voor je halen, als je wilt,' zeg ik tegen hem. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat Elijah vriendelijk naar me glimlacht en ik kijk zijn kant op. 'Daar is Vilkas nu eenmaal goed in, mooie meisjes beschermen tegen het uitschot van de straat.' Zijn glimlach verandert in een ondeugende grijns, die zo aanstekelijk is dat ik er zelf ook van moet glimlachen. Elijah's ogen lachen echter niet mee, waardoor ik er over twijfel of hij wel meende wat hij zei en mijn glimlach iets vervaagd. Mijn blik glijdt weer naar Vilkas. 'Misschien moet ik je het volgende feest dan maar inhuren als een lijfwacht,' zeg ik, toch nog met een lichte glimlach op mijn lippen.
    'En Félice, is de rest van de avond nog goed verlopen?' vraagt Elijah dan. Ik knik gelijk, nog steeds blij met het feit dat Devon gisteravond mee was gelopen naar mijn huis, waardoor ik niet in mijn eentje terug hoefde te lopen door het donker. Ik krijg al rillingen als ik er aan denk. Als er op het feest al van die enge dronkenlappen rondlopen, dat is het in de steegjes nog erger. Ik kan natuurlijk ook niet door de steegjes lopen, maar dan moet ik een omweg maken, en dat is ook niet iets wat ik graag doe in het donker. 'Ja, de rest van de avond ging erg goed,' glimlach ik, terugdenkend aan Devon's woorden dat hij me mee zou kunnen nemen naar de zee, waarbij ik misschien een iets dromerige blik op mijn gezicht krijg. 'Hoe verliep de rest van jullie avond?'


    To the stars who listen — and the dreams that are answered