• • Out of Sight, Out of Mind

    Het is begin 19e eeuw (Victorian Era) en de hele wereld is net aan het herstellen van een oorlog die zojuist gestreden is, zo ook het stadje Bathum, de hoofdstad van het land Hawkscourt. Er heerst grote onrust onder het volk en sommige zijn zo ontevreden over het huidige bestuur dat ze soms samenkomen en de boel saboteren. Terwijl het volk denkt dat deze rebellen’ het grote gevaar zijn, ligt er een groter gevaar op de loer. Vampiers. De laatste tijd hebben ook zij het moeilijk gekregen, met name een clan uit het noorden. De clan is gekrompen naar tot een relatief klein aantal waardoor deze veel kwetsbaarder is en daarom heeft de clanleider, Silas, besloten dat hier verandering in moet komen. Bathum is de geschikte plaats om nieuwe leden te werven voor de clan. Echter is niet iedereen geschikt en de vampiers zullen zich onder de mensen moeten mengen om te kijken wie wel geschikt is voor het harde vampiersleven, terwijl ze hun identiteit verbogen moeten zien te houden.

    Rollen: Getallen voor de naam zijn paginanummers
    Vampiers:
    Clanleider:
    (1,1) Silas Underwood - 26/247 - 1e rang + ring - Hireath
    Rechterhand:(1,1) Idwallon Calhoun Underwood - 24/245 - 1e rang + ring - Goldenwing
    Verbannen: Vrij

    Leden:
    - (1,1) Alice Woods - 21/103 - 3e rangs - BastiIIe
    - (1,2) Amaris Rae Valora - 23/28 - 4e rang - Cassia
    - (2,10) Alexa Elizabeth Turner - 20/100 - 3e rang - Florentina

    - (1,6) Cedric Laurentius Salomon - 21 - 3e rangs - Delish
    - (1,6) Devon Evian Lilyton - Bachandale - 23 - 3e rang - DreamerN
    - (1,5) Mitchell "Mitch" Giacomo Bianchi - 22 - Tegen + leider - Florentina (Was mens)

    - Onbeperkt!

    Mensen:
    - (1,3) Vilkas Alexander Pace - 25 - Voor - Akatosh
    - (1,11) Elijah Hodkin - 20 - Tegen - Cashby

    - (1,9) Daenerys Éowyn Frey - 22 - Tegen - BastiIIe
    - Onbeperkt!


    Gaan dood:
    - (1,9) Elizabeth (V mens) Dood door Mitch
    - (2,1) Katharina (V, vampier) Dood door Idwallon
    - {1,7) Lucas Nilsson (M, mens) Dood door Cedric
    - (1) Oliver William Dust (M, vampier) Dood door Silias


    Sfeerimpressies 19e eeuw
    Als je googelet op Victorian era, Victorian fashion of gewoon in het Nederlands Victoriaans ___ dan vind je al een hele hoop (:
    Of de film Vanity Fair, dit is ook een erg goede inspiratiebron. Zoek wat trailers of personages op voor een goede indruk.

    [ bericht aangepast op 26 mei 2014 - 16:49 ]


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Alexa Elizabeth Turner ~ 3e rangs vampier

    Alexa begon zich een tikkeltje ongemakkelijk te voelen, een gevoel dat ze niet snel had. Op het moment dat ze zich bewust was dat haar ex-geliefde in haar kamer stond was haar stemming omgeslagen. Ze wist dat hij haar niet zo hartelijk kwam begroeten als Alice. Het was ook allesbehalve prettig voor Alice dat hij zomaar binnenkwam, terwijl zij persoonlijk tegen elkaar spraken. Ze wilde zich bijna al verontschuldigen tegenover Alice, al was dat niet echt nodig. Ze was niet verbaast toen Alice haar armen om haar heen sloeg en zich verontschuldigde om te gaan. Natuurlijk begreep ze dat haar vriendin hier niet midden in wilde staan. Eenieder ander had bij het voelen van de plotselinge spanning ongetwijfeld hetzelfde besloten. “Dat snap ik, hou je taai meid” had Alexa nog op zachte toon tegen haar vriendin gezegd, voordat deze haar wang kuste en haar een verontschuldigende glimlach schonk. Alexa nam de tijd om haar nog een glimlach en blik te zenden die zeiden dat het oké was, dat ze het wel zou redden. Aan Cedric schonk ze op dat moment geen aandacht. Hij was zomaar haar kamer binnengelopen zonder wat te zeggen, een gegeven wat ervoor zorgde dat ze lichtelijk geïrriteerd was. Normaal gesproken was ze nooit zo snel geïrriteerd en eigenlijk had ze ook geen idee welke redenen ze had om echt geïrriteerd door hem te worden maar ze was brak van de reis. Iets aan haar voelde al aan dat hij een onprettige opmerking naar haar zou maken. De woorden die hij richting haar had gesproken waren al niet vrolijk geweest, dus ongetwijfeld zou hij niet vrolijker gaan praten. Daarnaast zou hij vast niet zomaar uit haar kamer lopen, hij zou vast wel het een en het ander te zeggen hebben voordat hij weg zou gaan. Op het moment dat Alice de kamer had verlaten was ze zich opeens akelig bewust van haar uiterlijke vertoning. Het liefst had ze meteen iets aan haar haar gedaan en andere kleding aangetrokken maar nu had ze daar allemaal geen zin in. Ze zag er vast uit als een zwerver of iets dergelijks, zo als haar witte jurkje tegen haar huid aan plakte en vanuit haar ooghoek kon ze al één rode krul vrolijk zien opspringen. Ze deed de lok achter haar oor, zodat deze haar niet meer irriteerde. Weer keek ze naar Cedric. Ze moest nageven, dat hij er ook nog steeds niet verkeerd uitzag. Maar dat was niet geheel verrassend, dat wist ze gewoon en hij wist het ongetwijfeld zelf ook. Ondanks dat ze het had uitgemaakt had ze nog steeds een zwak voor hem, slimmerd als ze was. Ze had hem dan ook niet gedumpt omdat ze hem toch niet aantrekkelijk vond, nee, daar was niets mis mee geweest. Ze peilde zijn reactie, zoals ze bij iedereen deed. Ze vond het toch moeilijk om iets uit die glimlach af te leiden. Misschien was het ook omdat ze zo lang weg was geweest, dat ze was vergeten wat bepaalde dingen konden betekenen. “Was vast fijn om je clan te verlaten,” was een opmerking die ervoor zorgde dat er geen enkel spoortje meer van een glimlach op haar gezicht te zien was. Ondanks dat ze het op een botte manier had uitgemaakt, was dat toch wel een opmerking die ze ongepast vond. “Wat een ongepaste opmerking, Salomon” zei ze dan ook, expres gebruik makend van zijn achternaam. Ze had de woorden op koele maar kalme toon gezegd. Als hij zo tegen haar ging praten, kon hij niets meer en minder dan hetzelfde terug verwachten. Ze keek toe hoe hij voor haar stond, op een vage afstand, waarom hij daar precies stond wist ze niet. Misschien wilde hij duidelijk maken dat zij hem niet deerde, maar waarom was hij anders hier heen gekomen? Om boos op haar te worden? Op het moment dat hij zuchtte keek ze hem aan, een blik van twijfeling, en ze wist bijna zeker dat hij met zijn gedachten ergens anders was. Hij was met zijn gedachten op dat ene moment dat ze allebei ongetwijfeld anders hadden ervaren maar allebei nog heel goed wisten.

    In haar hand had ze de veer proberen vast te houden, zonder hem te laten vallen. Haar hand trilde, normaal gesproken had ze altijd een vaste hand, maar nu trilde haar hand. Allerlei emoties gingen door haar heen, waardoor het nog lastiger was om het inktpotje open te maken. Meteen knoeide ze op het schone perkament voor zich, dat ze dan ook meteen weg kon gooien. Minutenlang staarde ze voor zich uit, niet wetend welke woorden ze op het witte vel voor zich moest schrijven. Op een gegeven moment begon ze maar met schrijven. Hele uitleggen over waarom ze het uitmaakte, waarom ze echt even weg moest en waarom ze hem liever niet mee had op haar reis. Maar steeds belandde die papieren werken in de hoek, waar ze bleven liggen. Ze kon het niet. Ze kon hem niet zoveel vertellen over haar motieven. En ze wist haar motieven zelf niet eens precies. Vele proppen later en vele frustraties later wist ze toch echt iets op papier te krijgen waar ze tevreden mee was. Toch bleef ze twijfelen. Haar blik ging naar haar bed, waarop haar spullen lagen, en weer naar de inktpot en veer voor zich. De woorden die ze had geschreven waren niet netjes maar wel leesbaar: ‘Het is beter als we uit elkaar zijn. Kom me niet achterna, en heb me niet meer lief.’ Het was kort, veel korter dan dat ze had verwacht dat ze zou schrijven, maar meer kon ze er niet van maken. Het was dit of niets, en iets was toch wel beter. Het papiertje verkreukelde ze toch, om een paar andere papiertjes te pakken en de woorden op de schrijven totdat ze ze net genoeg vond. Nadat ze het papiertje had geschreven had ze geen enkele seconde meer getwijfeld. Ze moest weg, in de avond, in de duisternis, voordat het weer dag zou zijn en ze niet meer zomaar zou kunnen vertrekken. Ze wist van een paar betrouwbare bronnen dat Cedric op dit moment niet in zijn kamer was, maar toch liep ze uiterst voorzichtig door de gangen. Ze had geroken of ze hem rook, maar ze rook hem niet in de verste verte. Ze had tegen zijn deur aangeleund en haar oor er tegen aangelegd, alsof ze zo te weten zou komen of hij toch echt niet in zijn kamer lag te slapen. Toen ze zeker was van zichzelf liep ze de kamer binnen, zonder ook maar iets aan te raken, en legde het briefje op zijn bureau. De deur sloot ze zo zacht dat deze geen geluid leek te maken. Heel snel liep ze door de gangen, naar haar kamer, en vertrok zo snel mogelijk als ze kon. In de eerste dagen was de tekst van haar briefje door haar eigen hoofd blijven malen, maar al snel had ze zoveel afleiding dat ze de woorden was vergeten.

    Alexa had een tijd niets gezegd. De stilte vond ze prettiger dan dat ze iets zou zeggen. Ze peilde alleen maar hem, zijn houding , zijn blik. Ze kon zich er gewoonweg niet toe zetten om zich te verontschuldigen voor haar gedrag. Zo was ze nou eenmaal. Zo had ze het nou eenmaal uitgemaakt, en ze vond het niet per definitie een slechte manier. Maar nu ze hem zag, ook al had hij haar kille woorden geschonken, voelde ze zich toch wel behoorlijk schuldig. Haar grijsblauwe ogen vertelden niet een duidelijke emotie , maar ze oogden dof en triest. Ze was ook zo moe, dat ze geen puf had om het echt met hem uit te praten. “Ik ben benieuwd wanneer je weer vertrekt. Je geliefden zullen dat vast fijn vinden.” Zei hij, woorden die haar werkelijk staken en iets deden, maar ze liet het niet merken. Ze had enkel een wenkbrauw opgetrokken. Plotseling kon ze zich niet meer groot houden, ze kon deze woorden van hem gewoonweg niet negeren. Het deed haar pijn. Ze liep naar het raam om zo hem niet te hoeven aankijken. “Ik weet wel dat je boos op me bent, daar heb je het recht ook op. Maar-“ plotseling stierf haar stem weg, ze was te moe om nu hem het uit te leggen. Oh god, straks zou ze nog gaan huilen ook. Ze deed nog een lok achter haar oor, om vervolgens met ferme passen naar een kast te lopen, haar drankkast. Ja, ze had op dit moment de sterke behoefte om te drinken. Het kon haar ook niets schelen dat hij hier zo stond, en toe kon zien hoe ze als een verzopen kat een fles wijn open deed, om er vervolgens ongegeneerd een paar slokken uit te nemen. Ze dronk zo uit de fles, en zette hem in de vensterbank neer. Haar ogen waren gericht op de lucht, voordat ze weer de moed had om te spreken. “Ik had het je anders willen vertellen, maar ik kon het gewoon niet” zei ze eerlijk, zo nonchalant mogelijk, al kostte het haar veel moeite om niet te gaan huilen of iets dergelijks. Haar hand reikte automatisch weer naar de fles, om er weer een paar slokken van te nemen. Het viel haar nu pas op dat ze van een droge witte wijn dronk. Normaal gesproken dronk ze niet zo vaak wijn, maar sterker spul, maar voor nu kon het ermee door. Haar ogen richtte ze nog steeds op de lucht voor zich, alsof dat zou voorkomen dat er tranen in haar ogen zouden opwellen. Nee, ze moest niet moe zijn, drinken, en tegen cedric praten als ze behoefte had om alleen te zijn, dan kon ze nog wel echt eens gaan huilen, iets dat ze niet vaak deed. Of in ieder geval niet vaak toonbaar deed. Ze hoopte dat hij haar niet zou uitschelden, maar simpelweg weg zou gaan en deze loze verklaring zou accepteren. Want hem echt dingen gaan vertellen kon ze op dit moment niet. Het zou ongetwijfeld niet zo goed uit haar mond komen als dat ze wilde dat het overkwam. In een impuls kon ze nog wel eens dingen zeggen waar ze spijt van zou hebben en dus hield ze nu wijzelijk haar mond.

    [ bericht aangepast op 15 sep 2013 - 1:43 ]


    Aan niets denken is ook denken.

    Félice Mabel Delamore
    Vilkas schudt zijn hoofd wanneer ik zeg dat ik wel een andere taart kan halen, als hij deze niet lust. 'Ben je gek? Dat is mijn favoriete taart,' zegt hij vrolijk, met zijn blik gericht op Elijah. 'Eigenlijk zouden we nu een stukje kunnen eten… Als je dat niet erg vindt.' Voor ik kan protesteren loopt hij weer weg en komt hij terug, met de doos, een mes, bordjes en bestek. Hij gaat aan het snijden, terwijl de andere man vraagt of de rest van de avond nog ging en een stuk taart in zijn mond propt. Ik trek mijn wenkbrauwen even op om zijn slechte manieren, beantwoord de vraag en vraag vervolgens of zij ook nog een fijne avond hadden, waarop Vilkas zijn schouders op haalt. 'Wel goed, op dat bargevecht na. Er zijn een paar stoelen, tafels en glazen kapot,' mompelt hij. 'Oh, ik hoop voor je dat de stoelen en tafels nog te maken zijn.' Zelf zou ik geen herberg willen hebben. Af en toe een gevecht kan wel amuserend zijn, maar ik zou er helemaal gek van worden als ik constant dingen zou moeten repareren. Elijah kijkt Vilkas verbaasd aan. 'Is er serieus een gevecht geweest? Als ik dat had geweten was ik wel even komen kijken.' Dat lijkt me nogal logisch, waarom zou hij het anders zeggen?
    'En die van jou, Elijah?' vraagt Vilkas aan Elijah. 'Maar mijn avond verliep eigenlijk nog best goed, tot ik vanmorgen met stijve spieren en hoofdpijn wakker werd natuurlijk.' Hierna eet hij verder van de taart, terwijl ik naar mijn stukje kijk. Eigenlijk heb ik niet zo'n honger, maar het is ook onbeleefd om het te laten staan... Ik slaak en zachte zucht en schuif het bordje iets van mij af. 'Ik hoef eigenlijk niet. Ik heb net nog ontbeten,' vertel ik Vilkas. Elijah is ondertussen van de barkruk afgegleden en rommelt in zijn tas. Hij tovert er een rol papier uit, trekt het lintje los en rolt het papier uit over de tafel. Een met houtskool getekende tekening van een groep mensen komt te voorschijn. Het is duidelijk dat de mensen niet doorhadden dat ze getekend werden, aangezien je van niemand de voorkant van zijn of haar gezicht ziet. Hij wijst naar twee mensen, die mij tot mijn verrassing bekend voor komen. Vilkas en ikzelf. 'Ik was jullie twee net aan het tekenen voordat ik Vilkas herkende. Heb de tekening niet helemaal afgekregen, maar als je wilt mag je hem best hebben?' Hij bukt weer en haalt een potlood uit zijn tas, om in één van de hoeken een handtekening te zetten. Ik glimlach breed naar Elijah. 'Het is echt heel mooi, weet je zeker dat je het niet zelf wilt houden?'


    To the stars who listen — and the dreams that are answered

    Silas Underwood | Clanleader

    In een soort trance keek hij toe, hoe de licht getinte kleur die de jongeman had met de minuut niets meer van te zien was. Het was weggetrokken, er lag een vochtige waas overheen doordat hij aan het veranderen was. De roestige geur van bloed vulde de ruimte, en als Silas niet zo misselijk van zichzelf was, zou het beest opnieuw hebben toegeslagen. Gelukkig hield die zich kalm, buitengewoon rustig zelfs, wat hij nogal merkwaardig vond. Hij kwam er pas achter dat hij aan het staren was toen hij weer naar de blauwe poelen keek van zijn broer, het herinnerde hem aan de zee. Een donkere diepte van emoties en geheimen, die hij niet snel met anderen zou delen. Hierom was hij ook nog boos op Alice dat ze hen zomaar afgeluisterd had. In eerste instantie was hij het vergeten, had het plaats gemaakt voor de angst en schuld naar de jongeman. Toch kwam voor een paar seconden diezelfde boosheid terug, die al snel weer weg gewaaid was.
          Rood. Zijn ogen hadden een glans over het rood heen, anders dan normaal leek het wel. De leider van de vampierclan knipperde duidelijk verward met zijn ogen, aangezien hij er niet met zijn gedachten bij was. Of misschien schrok hij wel van de kleur rood die hij opeens zag in de blik van Idwallon, hij vond de zee-blauwe kleur juist mooi.
    Het eens witte verband was doorweekt van het rood, het lag als een lint langs de man zijn lichaam op zijn bed. Ergens zag het erg artistiek uit, en kon Silas het niet laten om ernaar te blijven kijken. De wonden die hij in de nek had gemaakt, werden weer opengedrukt door Idwallon zijn scherpe tanden. Broers die deze man van zijn leven beroofden en hem het bestaan van een onmens terug gaven. Ze hadden het besproken, toch kon hij er niets aan doen dat het fout voelde. Hoewel dit beter zou zijn dan hem dood laten bloeden, anders had hij zijn leven gered. Wie hield hij voor de gek? Op het moment dat zijn ogen op zijn gestalte blikten, was de man zijn leven al kwijt geraakt, daar was geen twijfel over mogelijk. Zou Idwallon ook van zijn bloed genieten, zoals hij had gedaan? Silas vond het tot op zekere hoogte ook wat zoets hebben, maar zijn smaakzintuig was vast allang naar de pest gegaan.
          ‘Gefeliciteerd met je nieuwe clanlid, broer, die heb je mooi getransformeerd.’ Idwallon had een paar passen achteruit gezet, keek naar zijn broer met een glimlach, die het met een zuinig lachje terug beantwoordde.
          ‘Bedankt,’ prevelde hij, waarbij het droevige beeld van hem opeens toesloeg, aangezien hij ook zijn ogen afwendde. ‘Desalniettemin kon ik het niet zonder jou.’
    Zijn blik schoot naar het verstrakte lichaam van de man die momenteel niet bij bewustzijn was. Silas had nog wel geweten waarin hij verzonken was toen hij in een vampier was veranderd door die trien. De leider lette op de kleine bewegingen, zette nog enkele stappen dichterbij toen hij vlak naast zijn kussen stond en blikte toe hoe hij op zijn lip beet. Een stukje scheurde en bloed verscheen. Overal leek er wel bloed te zijn. Handen tot vuisten gebald, nagels die zich in zijn huid hadden gezet. Hij keek toe alsof het een interessante poppenkast was, die elk moment kon stoppen om te zeggen dat hij ermee kapte. Dat deed hij echter niet, zijn ogen draaiden weg. Toen wist Silas dat zijn nare herinneringen gewonnen hadden, want was dat bij hem ook niet hetzelfde geval geweest? Hij had de neiging om zijn hand op de klamme huid van de man zijn voorhoofd te leggen, het weg te vegen of wat dan ook, alleen hij hield zich in. Het onregelmatige, ruwe heen-en-weer beweeg van hem maakte het er niet beter op, maar Silas nam hem helemaal niets kwalijk.
          ‘Ik kan beter gaan voordat hij bij komt,’ hoorde hij opeens van zijn broer. Haastig keek hij naar hem op, de blikken kruisten elkaar, al wist hij niet zeker wat hij ervan moest denken. ‘Je kunt het vanaf hier verder, toch?’
    Silas fronste door de abnormale kalmte van zijn broer zijn stem, maar had niet de tijd er wat meer achter te zoeken, aangezien de jongeman de woorden nog een keer herhaalde. Hij was ongelooflijk onrustig en was begonnen allerlei dingen te schreeuwen. Hierdoor blikte hij, zonder echt aandacht aan Idwallon te geven hierdoor, naar de veranderende knul op ’t bed. Er ging van alles door zijn hoofd, hersenspinsels die over zijn broer gingen, maar ook over andere dingen. Toch werden die allemaal even op stil gezet door hem, diegene die Silas voortaan onder zijn hoede moest nemen. Hij zou het nog druk krijgen, ook met Rae erbij.
          ‘Ja, dat gaat lukken. Bedankt Idwa–’ prevelde hij, die stopte op het moment dat de deur zachtjes dicht klikte. Fronsend en nogal verward keek hij op, in verwachting zijn broer te zien. Maar hij was weg, en dat was de reden dat Silas ietwat droevig – vooral van zijn stuk gebracht – naar de dichte deur keek. Alles binnenin hem lag overhoop, was chaotisch. Had hij wat verkeerd gedaan? Ja, deze man zowat leeg drinken, dat was echter al bepraat. Voor de rest zou hij het niet weten. Waar had Idwallon aan gedacht? Waarom…– ?
    Zijn aandacht werd opnieuw getrokken door hem, hij die onrustig heen en weer lag te bewegen. Kalmer dan daarnet zorgde hij voor een koude lap, zodat hij deze op de man zijn voorhoofd kon leggen – wanneer hij dan uiteindelijk stil zou liggen. Het touw dat nog rond zijn pols zat, zorgden voor meerdere striemen, en Silas twijfelde om het los te halen. Toch deed hij het niet, want het was niet zeker hoe hij eraan toe zou zijn het moment dat hij wakker zou worden. Honger? Hij zou de regels moeten weten, Silas zou eerst moeten kennen, bijvoorbeeld zijn naam was wel handig. Hij verwachtte ergens een buitenlandse naam.
    Gefascineerd keek de leider naar de tranen die over zijn wangen stroomden, iets wat hij zelf al een lange tijd niet snapte. Hij was geen man die snel huilde, het was dan ook een aantal jaar dat hij een traan had gelaten om iets. En als het dan zo mocht zijn, wilde hij bij niemand in de buurt zijn, zelfs niet zijn broer. Idwallon was de enige die hij dingen toe vertrouwde, als het niet kon zou hij wel naar hem toe gaan.
          ‘Da…t kan niehiet, dat káán niehieet!’ kwam er bijna hysterisch zijn mond uit, waarop Silas zijn hand weer op zijn voorhoofd legde. Met een beetje druk veegde hij enkele haarplukken weg, terwijl hij bestuderend naar hem bleef kijken. Het leek wel alsof hij zijn poelen niet ergens anders naar kon laten, alsof hij verslaafd was. Waaraan wist hij echter niet, maar zijn ogen bleven op hem gelijmd. Op hoe hij heen en weer kronkelde, hoe hij huilde en hoe hij dingen bleef roepen, op het hele beeld dat het teweeg bracht.
          ‘Laat me los, laat me los!!’ Silas zijn lichaam spande direct aan, reageerde erop door op z’n hoede te zijn, maar het was duidelijk dat de knul het niet tegen hem had. Dat had hij nu door. Dus legde hij voorzichtig zijn hand terug en bewoog met de natte, koude doek over zijn gezicht.
          ‘Ik wihilll niehiet weheg!’ Hij snoof schalks, waarbij een halve glimlach op zijn lippen speelde. De toon vond hij wel grappig, maar dat verdween al snel.
          ‘Hou op, rot op!’ Zijn blik volgde zijn hand die op het bed sloeg, waarop de man zijn vuisten balden. Dit was echter niet hetgeen waar hij van schrok, nee, dat kwam hierna.
          ‘Laat hem bij me zijn… Laat hem bij mij zijn…’ Murmelend, een stuk zachter, verdrietig, toch goed hoorbaar. Een ruis klonk in zijn oren, hetzelfde moment dat er van alles toe sloeg. Het bouwde zich op, werd sterker met de woorden die hij sprak.
          ‘Ik wil bij hem zijn,’ Silas kreeg een schrokkerige ademhaling, zijn temperatuur schoot omhoog en zijn ogen verwijdden zich als schoteltjes. ‘Ik wil jullie hulp niet. Ik wil nergens heen, ik wil bij hem zijn.’ Abrupt begon zijn lijf abnormaal te trillen, waarbij hij bevend enkele stappen achteruit zette, alsof hij met zijn voeten ergens in vastzat, maar zich kon lostrekken en alsnog een stap deed. Zo zag het eruit. Het waren kleine stappen, echter wel snel genoeg zodat hij op een gegeven moment tegen het nachtkastje aan knalde. Het mes waaraan zijn bloed kleefde, viel op de grond met een daverend geluid. De mist in zijn hoofd werd dikker, dichter, donkerder.
          ‘N-nee… Het is vast zijn broer, of enig ander familielid.’ Hij kon er echter niets van geloven, want de toon waarmee hij het had gezegd, de manier waarop… zoiets was niet voor een familielid. Silas bleef het zachtjes herhalen, net zoals de jongeman die hetzelfde zinnetje steeds bleef herhalen. Van schrik kon de clanleider nergens anders naar blijven kijken en voor het eerst sinds lange tijd stond het huilen nader dan het lachen. Toch wilde hij het vol blijven houden.
    Nog steeds strompelde hij achteruit, tot hij op een stoel belandde, waar hij minutenlang van schrik bleef zitten. Toekijkend hoe de man het mes had gevonden, half uit bed was gevallen en het scherpe in zijn huid liet boren. Silas, de eens zo kalme, bijna stoïcijnse vampierclanleider, was nu een bang jongetje. Pas na wat een kwartier leek, stond hij op met een furieuze blik, stapte net zo kwaad naar hem toe en trok ruw het mes uit zijn hand. Het mes gooide hij ergens heen, zonder ernaar te kijken. Onbehouwen trok hij de man recht, zodat hij normaal op het bed lag, om hem enkel bij de schouders hardhandig te pakken en heen en weer te schudden. Silas was kwaad, hijgde hees en snel, waardoor hij wel het beest leek dat hongerig was. Dat was hij echter niet. In feite juist, hij was bang. Bang dat deze man zijn geheim wist, of in elk geval herinnert te worden aan die tijd – aan die man.
          ‘Hou op, hou op! Van wie heb je dat?’ De man zijn blik stond levenloos, duister en depressief, maar het maakte hem geen flikker uit. Silas begon hem nog woester door elkaar te schudden, over hem heen gebogen.
          ‘Wordt wakker, beveel ik je! Nu! Wat is je verteld? Waar heb je het over? Wat… wat?!’ Zijn kaken verstrakten, tanden knarsten om niet in huilen uit te barsten zoals die jongeman, en tegelijkertijd was hij opgehouden om hem heen en weer te bewegen. Wel was Silas zijn blik ongelooflijk vol verdriet, angst zelfs, en knepen zijn handen zowat de man zijn armen fijn. Dit kon niet gebeuren, dat kon niet. Speelde er iemand een spelletje met hem?

    [ bericht aangepast op 20 sep 2013 - 0:37 ]


    Quiet the mind, and the soul will speak.

    Cedric Laurentius Salomon, 21/138 • 3erangs.
    Wekenlang had ik liggen te tobben of het aan mij lag of aan haar. Ik wist niet of ik mij nou aanstelde dat ik zo zat te weeklagen, en al was ik totaal niet iemand om er met iemand over te praten, kwam ik met de beslissing dat het niet zo was. Ik stelde mij niet aan, want zij was weggegaan. Hoe zeer ik dit ook niet wilde; al dat geweeklaag en gemor, want ik kon zo meteen als ik wilde een nieuwe, aantrekkelijkere dame krijgen – ik voelde mij anders. Ik had totaal geen zin in dat gezeur aan mijn oren of ze wel mooi genoeg was en of ik iets gezelligs wilde doen, dus zocht ik geen andere dame. Daartegen, Alexa kreeg ik maar niet uit mijn hoofd. Zelfs dat ze me gedumpt had, kreeg ik haar nog niet uit mijn hoofd! Haar glimlach zag ik steeds voor me en haar aanrakingen.
    En nu ze hier voor mij stond, wilde ik haar niets anders dan haar fijne aanrakingen voelen, haar zien glimlachen en zeggen dat ze het wel leuk vond om mij zo te plagen om zo lang weg te blijven, want dan zou ik haar heel erg missen. Maar dat kon niet. Het was uit en het zou niet meer aangaan.
    Het rare was ook dat ik totaal niet liet blijken dat ik blij was om haar te zien, want eigenlijk voelde ik mij alleen maar kwaad en woedend. En toch had ik zulke gevoelens. Haar witte jurkje plakte tegen haar huid aan en haar haren begonnen te krullen.
    'Wat een ongepaste opmerking, Salomon,' had ze op een kalme toon gezegd.
    “Ja, net zo ongepast als het uitmaken via een briefje?” Had ik weerkaatst. Ik liet mijn bekende halve, gemene grijns weer zien, maar kort daarna verdween deze toch maar.
    Waar had ik op gehoopt om zo tegen haar te doen? Dit loste toch helemaal niets op? Misschien wilde ik het recht zetten met hoeveel pijn zij mij had gedaan, want dat was begrijpelijk, maar aan de andere kant was het zielig; de langste relatie had ik met haar gehad en dat waren zowel leuke als rottige tijden.
    Gedraag je toch niet zo idioot, Cedric! Ik probeerde mezelf te vermannen, maar het lukte niet. Het ongemakkelijke, kwade en verliefde gevoel knaagde nog steeds aan mij. Ik dacht dat ik erover heen was, maar nu ik haar zo zag, verdween het weer zo snel. Alles kwam terug, alle herinneringen en zij; het begon weer pijn te doen en de wonden reten zich weer open.
    Ik werd gek van mezelf en ik draaide mij met een zachte grom om, om vervolgens tegen een muur aan te leunen met een hand. Mijn rug was nog gedraaid richting Alexa, maar kort daarna draaide ik mij toch om naar Alexa. Laat nou geen emoties zien, Cedric. Wat ben je nou aan het doen? Laat jij je nou serieus weer pijn doen door haar?

    Ik zag dat Alexa naar het raam liep na een enkele stilte. Het was een ongemakkelijke stilte. Meestal wisten wij wel wat te zeggen tegen elkaar en waren we ronduit aan het praten, vooral Alexa; ik was niet zo'n prater, maar er was dan meer gepraat dan hier in de afgelopen minuten. Het was wennen.
    'Ik weet wel dat je boos op me bent, daar heb je het recht ook op. Maar-' Haar stem stierf weg. O nee, ze gaat huilen. Ik zuchtte. Ik wachtte erop tot ze haar zin af zou maken of wat gesnik te horen, maar ik hoorde niks. Ik zag alleen hoe ze een lok haar achter haar oor streek en vervolgens met ferme stappen naar haar bekende drankkast toeliep. Ze haalde er een fles wijn uit en nam een paar grote slokken uit, waarna ze hem op de vensterbank neerzette. 'Ik had het je anders willen vertellen, maar ik kon het gewoon niet.' Waarom had je dan geen grote slok van tevoren genomen? Misschien kon je het dan wel, sprak mijn boze stem weer in mijn hoofd. Ik schudde mijn hoofd wat gegeneerd. Hoe kon ik zoiets überhaupt denken? Het was beter dat ik het niet zei.
    Ik zette een paar stappen terug richting de uitgang van de slaapkamer, maar bleef toen staan. Waarom zou ik weg willen gaan? Verdomme! Al die onbeslistheid, om gek van te worden.
    Bijna wilde ik weggaan, omdat ik simpelweg gewoon wat rust nodig had. Maar ik wilde niet voor de simpelste weg kiezen en haar ook niet achterlaten. Ook niet omdat zij dat wel bij mij deed, al was dat wel wat anders dan dit.
    Ik had de keuze: Weggaan en de indruk achterlaten dat ik niks om haar zou geven of blijven en ervoor zorgen dat ze doorkrijgt dat ik haar niet achterlaat, wat het ook is.

    En toen deed ik iets wat ons beiden zou doen verbazen.
    Ik zuchtte hardop en zette een paar grote, ferme stappen naar Alexa toe. Mijn ene hand greep naar de wijnfles, maar raakte ook zachtjes de hand van Alexa aan en de andere had ik zachtjes op haar zij gelegd. Met dat ik dit deed, bleef ik vastbesloten naar Alexa kijken met een vergevende blik en schudde ik kalm mijn hoofd. “Nee, niet drinken.”
    Wat geweest is, is geweest – maar ik zal het niet vergeten. Want ik moet nog steeds Cedric zijn. Straks ging iedereen denken dat ik een watje was. De wijnfles stond nu op de kast en ik liet zachtjes de hand van Alexa eraf halen, waarna mijn vingers in die van haar verstrengelden.
    Toen fluisterde ik roerloos, maar toch zoetjes in haar oor.
    “Dans met mij, Alexa.”


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Vilkas Alexander Pace
    “Oh, ik hoop voor je dat de stoelen en tafels nog te maken zijn,” zei Félice. Voor de eerste keer sinds de vorige avond klonk ze oprecht aardig, wat ik heel erg apprecieerde. Vooral omdat ze me taart bracht, daardoor mocht ik haar nog meer. De appeltaart rook zo lekker en zag er tegelijk ook heel erg goed uit. Ik kon niet wachten om er al van te smullen en begon al te watertanden bij de gedachten dat ik nog meer dan de helft van de taart voor me alleen zou hebben.
    “Is er serieus een gevecht geweest? Als ik dat had geweten was ik wel even komen kijken,” viel Elijah meteen uit de lucht. Ik schudde mijn hoofd om aan te duiden dat het niets was. Ik was nog steeds niet zeker of hij zou komen kijken omdat hij gevechten amusant vond, of om te helpen. Maar wat het ook mocht zijn, het was toch al te laat en het was opgelost. Dus zo veel maakte het uiteindelijk niet meer uit. “En die van jou, Elijah?” vroeg ik, doelend op hoe zijn avond geweest was.”
    “Maar mijn avond verliep eigenlijk nog best goed, tot ik vanmorgen met stijve spieren en hoofdpijn wakker werd natuurlijk.”
    Ik deelde grijnzend de bordjes taart uit. Ik kon er niet meer op zeggen dan eigen schuld, dikke bult. Niet dat ik zo weinig op had, maar ik was wel nuchter genoeg en had daarna genoeg water gedronken om nu niet met barstende koppijn rond te lopen. Al moest ik zeggen dat mijn spieren ook niet waren wat ze gisteren waren.
    Félice zuchtte en schoof haar bord een eindje voor zich uit. “Ik hoef eigenlijk niet. Ik heb net nog ontbeten,” vertelde ze quasi verontschuldigend.
    “Geeft niet,” antwoordde ik toen ik mijn hap taart doorgeslikt had. “Begrijp ik best.”
    Ik ruimde haar bordje alweer op, toen Elijah opeens van de barkruk sprong en druk in zijn leren schoudertas begon te rommelen.
    In zijn handen lag een rol papier, waarvan hij keurig het rode lint lostrok en het uitrolde op de niet al te brede bar. Het was een tekening. Het leek een tekening van een menigte mensen te zijn. Hoewel het een rommelige groep was waarvan niet eens duidelijk de gezichten te onderscheiden vielen, verbaasde Elijah’s tekenkunsten me elke keer weer. Hij had talent, dat moest ik hem wel nageven. Ik zou zoiets niet kunnen.
    Zijn vingers wezen twee personen aan op de tekening, die me na een tijdje vaag bekend voorkwamen.
    “Hé, dat ben ik!” riep ik uit, waarna ik het andere figuur bekeek. “En Félice.”
    “Ik was jullie twee net aan het tekenen voordat ik Vilkas herkende. Heb de tekening niet helemaal afgekregen, maar als je wilt mag je hem best hebben?” Hij leek de vraag aan Félice te stellen, waarop ik wilde protesteren dat ik hem ook wilde hebben. Maar Félice zou dat soort kinderachtige opmerkingen vast niet op prijs stellen, dus ik hield maar wijselijk mijn mond dicht terwijl ik de tekening bewonderde. “Het is echt heel mooi, weet je zeker dat je het niet zelf wilt houden?” vroeg Félice.
    Mijn ogen gleden automatisch af naar zijn handtekening en toen weer terug naar de twee personen en Félice met haar springerige krullen. “Het is echt goed gelukt,” mompelde ik lichtelijk gefascineerd. “Als je tijd hebt, mag je wel wat tekeningen maken voor in de herberg. Ik wil je er zelfs voor betalen,” bood ik Elijah aan. “Bovenop je loon van het werk hier, uiteraard.” Dan had hij wat extra zakgeld dat hij vast wel goed zou kunnen gebruiken, Elijah kennende. God mocht weten wat hij ermee deed, maar als hij er blij mee was en elke keer terug kwam voor meer werk maakte het mij niet zoveel uit.


    "Do not be angry with the rain; it simply does not know how to fall upwards.” - Vladimir Nabokov

    Mijn eerste flashback. Poeh, moet even nadenken over hoe ik Dae zou afspiegelen :a

    Daenerys Éowyn Frey ~ Rebel.
    "Als ik dat zou kunnen doen, dan had ik dat zeker al wel gedaan. maar soms vraag je het liever aan iemand waarvan je zeker weet dat je een eerlijk antwoord zou kunnen krijgen, ik ben opzoek naar een goede plek. Niet naar iets aftands waar ik nauwelijks de nacht doorkom," wierp de man me tegen met een stem die zo stoïcijns als wat was, dat elke vorm van emotie achterhalen bij de man vrijwel onmogelijk was. Het irriteerde me mateloos, zonder dat ik me er echt bewust van was waarom. Toen ik echter zijn naam uitsprak kreeg ik een kleine reactie tot stand, het voelde als een kleine overwinning, zelfs al trok hij enkel zijn wenkbrauw op. Dit triomfantelijke gevoel maakte gauw plaats voor verontwaardiging toen Ash vertelde dat hij mijn naam niet meer wist. "Éowyn," friste ik zijn geheugen op en aan mijn stem was duidelijk te horen dat ik er niet van gediend was dat hij mijn naam vergeten was. Niet dat ik altijd ieders naam onthield, dat zou me veel te veel moeite kosten. Enkel mensen die interessant of enigszins van pas konden komen waren belangrijk voor mij en andermans namen verdwenen dan ook al gauw in de vergetelheid. Toch vond ik het onuitstaanbaar als iemand mijn naam vergat, het betekende dat ik geen indruk had gemaakt, dat ik onbelangrijk was of gewoon en dit laatste was absoluut niet waar ik naar streefde.
    "Op het moment is het enige wat ik wil, antwoord op de vraag die ik je stelde. Daarbij wil ik wel degelijk mijn zakdoek terug want hij is gemaakt door een oude vriend van me, deze is inmiddels overleden," de scherpe toon in zijn stem ontging me niet, maar deed me niks. Brutaal vond ik de vraag echter wel en ik vernauwde dan ook kort mijn ogen toen ik hem de zakdoek overhandigde. "Voor een goede slaapplek moet je wezen bij Vilkas." Na deze woorden plaatste ik mijn handen weer in mijn zij en keek Ash aan. Met deze informatie had ik hem een gunst verleend en vond dan ook dat ik het volste recht had weer informatie van hem te krijgen. Hij zou zijn schuld nu moeten aflossen voordat hij weer verdween en liet ik nou net weten waar ik zo nieuwsgierig naar. Zonder er al te veel omheen te draaien nam ik de vrijheid hem de vraag te stellen die ik al eerder aan hem had willen stellen. "Hoe kom je aan die zegelring?" Ash leek manieren te bezitten, meer dan dat ik van andere mannen hier in het dorp kon zeggen, en zijn kleding, op de modder na, zagen er ook niet uit alsof het oude afgedankte kledingstukken waren. Daardoor was bij mij het vermoeden gerezen dat hij nog wel eens flink wat geld kon hebben en eerlijk is eerlijk, een extra zakcentje was nooit mis.

    Ze had al in bed gelegen toen ze wakker was geworden van haar grotere broer. "Garrick?" Met een verbaasde blik in haar ogen ging ze rechtop zitten, het duurde even voordat haar ogen aan het duister gewend waren en ze haar broer kon onderscheiden. "Wat doe je hier?" fluisterde ze terwijl ze haar haren uit haar gezicht veegde. Ze had een grote bos krullen die het kleine meisje altijd op leken te zwelgen en Garrick had dit altijd leuk gevonden, ook nu woelde hij kort door haar haren voordat hij bij haar op bed ging zitten. "Ik hoorde pap en mam praten," begon hij fluisterend en Daenerys pikte meteen de serieuze klank in zijn stem op. "Wat? Wat is het?" haar stem deze keer iets luider en dwingender. "Sst, straks horen pap en mam ons nog," viel haar broer haar meteen tegen alvorens een zucht te slaken. "Het gaat niet goed met vaders zaak en ze hebben geen geld om ons allebei te onderhouden." Daenerys zweeg en dacht dat er meer zou komen, maar haar broer bleef zwijgen. "Wat bedoel je?" drong ze uiteindelijk opnieuw aan. "Garrick!" "Ze hadden het erover jou op straat te zetten zodra je oud genoeg bent om voor jezelf te zorgen," ratelde hij ineens. Daenerys' ogen werden groot en ze bleef enkele seconden stil terwijl haar hersenen op volle toeren werkten. Ze konden niet voor hun beiden zorgen, ze hadden niet genoeg geld.. Natuurlijk, ze hadden altijd al in armoede geleefd en ze had altijd geweten dat haar ouders dan ook minder blij waren toen ze nog een dochter kregen in plaats van de zoon waar ze zo op gehoopt hadden. Zelfs op deze leeftijd realiseerde ze zich dat als haar ouders moesten kiezen tussen haar en haar sterke, broer, dat ze voor haar broer zouden kiezen. Toch voelde ze zich verraden, bang en plotseling erg eenzaam. "Broer..?" fluisterde ze, haar stem ineens klein en kwetsbaar. Garrick brak bij het horen van zijn zusjes stem en sloeg zijn armen om haar heen, waarna hij haar dicht naar zich toe trok. Zachtjes wreef hij over haar rug en probeerde haar te sussen, maar zijn vertrouwde geur en troostende woorden konden niks doen tegen de storm van emoties die door zijn zusje raasden. Daenerys nestelde zich dichter tegen haar broer aan en begon ongecontroleerd te snikken. "Geen zorgen zusje, ik zal met je meegaan.. Ik laat je echt niet alleen, geen sprake van," fluisterde hij haar bemoedigend toe, waarop Daenerys zich plotseling los trok en wild haar hoofd schudde. "Nee!" Ruw veegde ze haar tranen weg, "Nee, je moet hier blijven! Pap en mam hebben je nodig," ratelde ze en haalde haar neus op. Het was het enige wat haar ouders konden doen om een toekomst waarin ze omkwamen van de honger te voorkomen, maar dit betekende niet dat Daenerys minder bang was. Alleen op straat? Ze had niemand om heen te gaan en wanneer was ze oud genoeg volgens haar ouders? Hoe moest ze aan eten komen? Honderden vragen schoten door haar hoofd, maar op geen enkele had ze een antwoord.
    "Nerys.. Ze willen je op straat zetten.." fluisterde haar broer ontzet en keek haar vol onbegrip aan. Hoe kon zijn zusje van hem verwachten dat hij bij hun ouders bleef? Hij was woedend op ze en vond het een belachelijk idee, onuitstaanbaar! Hij zag simpelweg niet hoe het zou helpen, zag enkel het verdriet dat het zijn zusje aandeed. Daenerys zweeg net zoals haar broer en staarde naar haar handen die aan het dekbed friemelden. Ze wist dat haar ouders geen andere keus hadden en er was nog nooit iets gebeurd waaruit was gebleken dat haar ouders niet van haar hielden, toch voelde ze zich verraden. Eenzaam.. Ondanks de warmte en liefde van haar broer. Het liefst was ze naar beneden gerend om haar ouders antwoorden te eisen, om te.. Om te wat? Wat kon ze doen? Opnieuw biggelden er tranen over haar wangen terwijl een hulpeloos gevoel haar overspoelde. Onmacht, pure onmacht hield haar in haar greep. "Oh Nerys.." hoorde ze haar broer zuchten toen deze haar opnieuw in een omhelzing nam.
    De deur ging open en Daenerys verstijfde in de armen van haar broer. "Wat is er allemaal aan de hand?" het was duidelijk de stem van haar moeder en ze hoorde nu naderende voetstappen. "Niks," antwoordde haar broer zo normaal mogelijk, "ze had een nachtmerrie, dat is alles." Daenerys staarde naar de borstkas van haar broer waar ze haar wang tegenaan gedrukt hield en hoopte vurig dat haar moeder weer zou vertrekken. Ze kon niet naar haar moeder kijken na het nieuws dat haar broer had gebracht. Nee. Ze wou dat ze kon verdwijnen, gewoon zomaar in het niets. Alle problemen zouden dan opgelost zijn en dan zou ze niet met haar verdriet om hoeven gaan. Het zou tijd kosten, een lange tijd voordat ze haar ouders weer aan kon kijken, voordat ze weer gewoon met ze kon praten en alles weer zou vergeten. Helemaal vergeten zou ze echter niet, het zou altijd in haar achterhoofd blijven hangen. Wanneer zou ze weg moeten?
    Ze begreep hun keuze ergens, maar haar emoties hadden de overhand en niet haar verstand. Plots voelde ze hoe haar moeder een keer over haar haren streek, maar ze zag niet het schuldgevoel dat in haar moeders ogen spiegelde toen deze de kamer weer verliet.

    [ bericht aangepast op 21 sep 2013 - 19:00 ]


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Mitchell Giacomo Bianchi ~ Rebel

    Zijn zicht was slecht, wazig, niet alleen door de tranen die nog steeds bleven stromen, maar vooral doordat hij nog niet in een echt wakkere staat verkeerde. Hij zat nog half in zijn gedachten. Het was alsof hij gevangen was, gevangen tussen herinneringen. En hoe meer hij ze probeerde te vergeten, hoe meer de beelden zich aan hem opdrongen. Het mes had hij ruw in zijn huid weten te boren, en bracht meteen een soort van opluchting teweeg. Hij had niet door hoeveel bloed er uit zijn huid stroomde, en dat hij zich daardoor eigenlijk velen malen duizeliger, en dus slechter, door voelde. Hij onderdrukte een paar snikken. Als hij zijn lippen niet stevig op elkaar had geklemd zou je hem ook kunnen horen snikken. Op het moment dat hij dacht dat hij de omgeving rond zich kon waarnemen, dommelde hij weer weg, en belandde recht in een flard van een herinnering.

    Sam zijn ogen, zijn haar, de sproeten op zijn gezicht, alle andere uiterlijke kenmerken van hem. Hij probeerde ze zich voor de geest te halen. Het lukte hem nog aardig. Hoewel ze alles van hem, dat hem aan hem deed herinneren, hadden afgenomen, konden ze niet voorkomen dat hij aan hem dacht. Hij had geen foto’s meer, geen tekeningen, geen brieven. Helemaal niets. Enkel zijn eigen gedachten. Alles dat van hem was geweest of dat hij voor hem had gemaakt hadden ze uit zijn kamer verwijderd. Plotseling, zomaar ineens. Hij was op een dag in zijn kamer aangekomen en had daar zowat helemaal niets meer aangetroffen. Zelf had hij niet veel spullen. Het had gevoeld als een grote leegte. Het had hem intens droevig en tegelijkertijd heel erg boos gemaakt. Hoezeer hij ook probeerde om te smeken of ze zijn spullen wilden teruggeven, het had allemaal geen zin gehad. Het had er juist voor gezorgd dat hij stomme rotklusjes kreeg toegewezen. Op een gegeven moment was hij opgehouden met naar de spullen vragen. Maar hem vergeten kon hij niet, dat wilde hij ook absoluut niet. Iedere dag probeerde hij nog om uit het weeshuis te ontsnappen, om een manier te vinden om hem te zoeken, ook al wist hij dat het een zoektocht zonder einde zou worden. Iedere keer werd hij tegengehouden en als hij eens een keertje op zoektocht kon kwam hij in de vroege ochtend terug zonder ook maar iets te hebben gevonden. Toch bleef hij in gedachten volhouden dat hij hem ooit nog terug zou kunnen zien. Dat ze elkaar ooit nog zouden zien en dat alles dan weer op zijn plek zou vallen. Hij zat in zijn kamer, met een schetsblok op zijn schoot. Tekenen kon hij niet heel erg goed, maar hij was er ook niet slecht in. ‘Sam’ stond er bovenaan de tekening in sierlijke letters geschreven. Hij probeerde hem zo goed mogelijk voor de geest te halen. Toch benauwde het hem iedere keer weer dat het hem steeds meer moeite koste om hem echt goed te herinneren. Of hem niet te idealiseren. Hij had hem al zo lang niet gezien. Toch kwamen zijn vrolijke blonde krullen op het tekenblok, precies zoals ze hoorde te zijn. Ook zijn ogen kon hij herinneren, van die mooie hemelsblauwe ogen. Ook zijn sproeten waren niet moeilijk te tekenen. Maar toen hij zijn lach moest tekenen, want dat was kenmerkend aan hem, liep hij vast. Minutenlang staarde hij naar het papier, zonder dat het potlood er ook maar een krasje op maakte. Alle frustraties kwamen opeens naar boven. De tekening verkreukelde hij totdat er helemaal niets meer van over was, het potlood brak hij en het glas dat in zijn kamer stond was ook niet meer te redden. Het brak in duizend kleine schitterende stukjes. Hij kon zich identificeren met die gebroken stukjes. Zo voelde hij zich ook, gebroken. Het was een en al chaos in zijn hoofd. Hij bleef staren naar die stukjes glas voor een lange tijd.

    Nog steeds had hij het mes in zijn hand, maar deze trilde, dus erg goed kon hij niet meer in zichzelf snijden. Zijn adem stokte, nog steeds werd hij in bedwang gehouden door de emoties die loskwamen bij zijn verleden. “Sam” zei hij hardop, het klonk verloren, zo verloren had hij ook naar zijn tekening gekeken. “Je móet terugkomen!” riep hij opeens, hij voelde zich kwaad, zo kwaad als hij zich had gevoeld op het moment dat hij zijn lach niet meer kon beschrijven, niet eens meer kon tekenen. Hij begon nu tegen het randje van gek worden aan te zitten. De pijn was nog steeds niet weg en niets kon hem helpen om uit zijn herinnering te komen. Althans, dat dacht hij. Plotseling veranderde er iets. Hij wilde het mes zo diep in zijn huid boren als hij maar voor elkaar zou krijgen, daar was hij vastbesloten in, maar het leek niet te lukken. Hij voelde niets, niets dat stak in zijn huid. Nog een paar keer probeerde zijn hand het, maar het leek niet te lukken. Het frustreerde hem. ‘”Hou op, hou op! Van wie heb je dat?” De woorden waren dof en hij kon ze niet echt verstaan. Het leek alsof ze zich in de verte bevonden. Toch kon hij ze horen. Hij probeerde er geen waarde aan te hechten. “Niemaaand. Hij is… hij is… hij is.. “ onbewust rolden er woorden over zijn mond. Hij leek hier geen controle over te hebben en had ook niet door dat hij sprak.

    Opeens leek alles veel meer pijn te doen. Hij werd overeind gehaald door iets, iemand, maar dat besefte hij zich niet helemaal. Op dat moment was hij nog in zijn herinnering. Maar door het hardhandige geschud voelde zijn lichaam zich allesbehalve goed en werd hij gedwongen om wakker te worden. Zijn ogen openden zich plotseling, zijn pupillen donker en groot keken richt in het gezicht van iemand anders. Zijn bewustzijn was in een flits weer teruggekomen, al waren zijn gedachten nog donker en duister. Hij was zich weer bewust van zijn lichaam en werd zich langzaam ook bewust van zijn omgeving. Zijn herinneringen waren nog niet vergeten, maar hij leek zich te beseffen dat hij had gedroomd of iets wat daarop leek. De man schudde hem door elkaar, als een bezetene, en hij had werkelijk geen idee waarom hij dat deed. “Laat me los!” riep hij fel tegen de vreemdeling, ook al had hij geen idee wie hij voor zich had. Hij was boos op de man voor zich, al wist hij helemaal niet waarom hij dit bij hem deed en wat er met hem aan de hand was. Hoewel angst ook overheerste in zijn lichaam, probeerde hij deze naar de achtergrond te drukken. Hij keek alleen fel naar diegene voor zich, maar kon maar niet herinneren wie dat was. Een wantrouwende blik lag in zijn doffe grijs lijkende ogen. De man leek te hijgen. Hij had een beetje een getinte huid. Hij leek best lang te zijn, in ieder geval langer dan hem, en was ook aardig gespierd. Donker gekleurde haren en een stoppelbaartje. Hij zou hem toch moeten kennen? Nee, hij kende hem niet concludeerde hij, wat meteen alle alarmbellen deed rinkelen. Hij wilde hem van zich af hebben. En zo snel mogelijk. Hij was niet in staat om hem een klap te verkopen, daar kwam hij snel genoeg achter. Zijn lichaam werkte niet mee, hij voelde zich belabberd en de hand die hij wilde gebruiken om hem in zijn gezicht te slaan zat vast aan een touw. Hoe hard hij er ook aan rukte, het wilde niet los. Verward keek hij naar het touw, maar al snel keek hij weer voor zich. Hij wist nu zeker dat er iets goed mis was, vooral omdat hij zich niet kon herinneren hoe hij hier was beland. Eigenlijk kon hij zich haast helemaal niets meer herinneren over wat hij gisteren had gedaan.

    Zijn ogen gingen vliegensvlug over de hele kamer, ieder detail nam hij zo snel mogelijk in zich op, zoals hij dat deed als hij op missie was voor de rebellen. Bloed. Hij zag, naast een tikkeltje vreemd uitziende kamer, vooral bloed. En dat het bloed afkomstig was van hemzelf, daar kwam hij ook snel genoeg achter. Zijn kleding was nogal gekreukt en zijn haar zat ongetwijfeld ook in de war, maar dat deerde hem niet. Er waren een paar open wonden die zich op zijn lichaam bevonden, dat kon hij zo voelen. Hetgeen dat hem zorgen maakte was de man voor hem, die hem nog steeds door elkaar schudde, iets van hem scheen te verwachten. En hij was te verward om zich te verweren, en wist ook niet wat er aan de hand was. Zijn blik ging vluchtig door de kamer. Hij merkte nu pas op dat er een mes op de grond lag. Zijn ogen bleven erop hangen, alsof hij gehypnotiseerd was. Hij verlangde naar dat mes, door de pijn die hij nog steeds voelde, maar wist niet waarom het daar lag. Vanaf het moment dat hij ‘wakker’ was geworden had hij het gevoel gehad alsof hij ieder moment weer in slaap kon vallen. Zijn ogen draaiden af en toe ook weg en dan moest hij zichzelf dwingen om ze weer te openen. Net op het moment dat hij zijn ogen maar al te graag weer wilde sluiten, om geen waarde te hechten aan het feit dat hij zich hier allesbehalve op zijn gemak voelde, hoorde hij duidelijk de stem van de man voor zich. De man was veels te dicht bij hem, hij wilde afstand. “Wordt wakker, beveel ik je! Nu! Wat is je verteld? Waar heb je het over? Wat… wat?!”. Het was geen aangename ervaring. Hij schrok zich rot doordat de man tegen hem praatte. Zijn nagels zette hij in zijn handen, die zich balden tot vuisten. Waarom hij schrok wist hij niet precies, waarschijnlijk omdat hij anders zo in slaap was gevallen. Een beetje suffig keek hij de man aan. Gelukkig was hij opgehouden met hem in elkaar te schudden, anders had hij helemaal geen antwoord gegeven. Dan zou hij pissig voor zich uit hebben gestaard, het vertikkend om ook maar een woord te spreken. Nu voelde hij overal pijn en kreunde hij even toen de man zijn armen bijna aan het verpulveren was.

    Komop, Mitchell, je moet je gedachten erbij houden zei hij via zijn gedachten tegen zichzelf. Het was niets voor hem om niet meteen te ontsnappen uit benarde posities en nu leek het net alsof hij alles over zich heen liet komen, en hoopte dat de pijn over zou gaan. “Ik weet niet waar je het over hebt.” zei hij eerlijk, dat kon hij nog net over zijn lippen krijgen zonder aan de pijn te denken. Wat was er gebeurd? vroeg hij zich af. Met moeite kon Mitchell zichzelf opbrengen om in de ogen van de man te kijken. Het verbaasde hem wat hij daar in zag. Was het verdriet, was het angst? Hij had nu werkelijk echt geen idee meer wat er aan de hand was en bleef gespannen zitten zonder zich te vervoeren. Als hij vastgebonden zat aan een bed en gewond was, leek het hem verstandiger om zichzelf in te houden. Hij beet op zijn lip. “Ik weet echt niet waar je over praat” zei hij nogmaals, waarbij hij hem recht in zijn ogen keek. Hij knipperde om helder te kunnen zien. “Ik weet echt niet- Waarom..? Wa..” de woorden kwamen niet over zijn mond. Hij was verward en kwam steeds meer met zijn geest en lichaam in de echte wereld, wat ervoor zorgde dat er alleen maar meer vragen in hem op kwamen. “Wie ben jij?” “Wat moet je van me?” vroeg hij nogal direct. Het zou misschien onbeleefd overkomen, maar dat was juist de bedoeling. Deze man het recht niet om hem hier vast te houden, op een bed, aan een of ander dom touwtje. Of wel?

    [ bericht aangepast op 21 sep 2013 - 20:05 ]


    Aan niets denken is ook denken.

    You guys are way too good n_n Ik begin me slecht te voelen bij jullie, maar moet mijn posts de laatste tijd ook wat afraffelen ivm tijdgebrek door school :c

    Alice Woods ~ 3e rangs vampier.
    Bloed. Met een ruk schoot mijn hoofd omhoog en keek ik om me heen, terwijl de sterke, heerlijke geur mijn neus binnendrong. Mensenbloed? Waarom rook ik mensenbloed? De geur leek uit Red River Valley te komen, maar hoe? Binnen enkele seconden was ik opgestaan, had ik nauwkeurig de zon gemeden en was ik weer ondergronds gegaan. De geur maakte me duizelig en ik kon het haast al proeven, als ik alleen maar zou weten waar het vandaan kwam. Mijn voeten liepen haast onder mijn lichaam uit, tot ik plotseling bleef staan. Nee, dat kon niet, toch? Enkele seconden bleef ik staan en concentreerde me, maar de geur leek werkelijk waar verdwenen. "Nee hè.." mompelde ik haast teleurgesteld. Ik had het heerlijke bloed al kunnen proeven, het had zich via mijn neus naar binnengedrongen en zich genesteld in mijn hoofd als een gif dat mijn verstand aantastte. Nu de geur verdwenen was kon ik weer helder denken en ik schudde licht mijn hoofd, nog altijd niet begrijpend waar de lucht vandaan was gekomen en waarom deze ook weer zo snel verdwenen was. Compleet verdwenen.
    Langzaam kwam ik weer in beweging en bracht mijn tekenspullen terug naar mijn kamer. Toen ik deze weer verliet vroeg ik me af hoe lang ik nog zou hebben voordat ik naar Bathum zou moeten. Ik wilde niet, absoluut niet, maar was me ervan bewust dat ik er niet onderuit zou komen. God zijn dank was Alexa terug, ik had altijd al steun aan haar gehad en had me tot zojuist niet gerealiseerd hoeveel ik altijd op haar gerekend had, hoe afhankelijk ik van haar was. Haar kracht, zelfverzekerdheid. Misschien vroeg ik wel te veel van haar, maar aan de andere kant wilde ik niet zonder haar. Alsof God mijn zorgen had opgemerkt kwam er iets op mijn pad dat voor afleiding zou zorgen voor het moment, of beter gezegd, iemand. "Mijn hemel!" Het was de vrouwelijke vampier van eerder, Silas had haar voorgesteld als hoe.. Rae? Met snelle passen was ik bij haar en nam haar uiterlijk kort in mijn op."Zo kun je niet rondlopen! Moet je je jurk zien!" zei ik geschokt en pakte haar bij haar pols. "Kom," begon ik, terwijl ik haar al achter me aan trok, "ik heb nog wel iets fatsoenlijks voor je. Hoe komt je jurk er zo uit te zien?" ratelde ik. Na een poosje liet ik haar hand los, maar ik stapte wel door. "Volgens mij heb je mijn maat en ik heb zat kleding, je kan wel iets hebben. Heb je niks anders?" Normaal sprak ik niet veel, maar dit was een noodsituatie in mijn ogen. Ikzelf zag er altijd graag schoon en piekfijn uit, netjes, gekleed.. Nooit zou je mij zien in kleding die niet perfect was. Enthousiast vertelde ik Rae welke jurk ik voor haar in gedachten had, toen de woorden ineens op mijn lippen stierven zodra ik de hoek omging. Mijn enthousiasme verdween als sneeuw voor de zon en maakte plaats voor een hoop andere, meer negatieve emoties. Als versteend bleef ik staan en hapte naar adem, terwijl ik geschokt keek naar wat ik voor me zag. Idwallon zat op de grond en deed me allereerst denken aan een gewond hert, zo hulpeloos en kwetsbaar zag hij eruit. Het deed me al pijn hem zo te zien, maar toen hij jammerde brak mijn hart. Ik slikte en knipperde de tranen die zich in mijn ogen hadden gevormd gauw weg, altijd al was ik emotioneel geweest, maar dacht niet dat hij medelijden zou appreciëren. Alles in mij schreeuwde dat ik hem moest helpen, hem troosten, maar ik kwam niet in beweging. Besluiteloos bleef ik enkele seconden met grote ogen staan kijken, terwijl ik plots moest denken aan een ex van mij. Zodra zijn geliefde zus was vermoord was hij ingestort, hij had zichzelf afgezonderd en na enkele dagen had ik het niet meer aangekund hem zo vol verdriet te zien. Ik had hem willen troosten en helpen, maar hij had mijn hulp geweigerd. Erger nog, hij had me toegesnauwd dat ik moest begrijpen dat hij geen hulp wilde. Hij was een man en had dus zo zijn trots en door hem zo te behandelen zette ik hem volgens hem voor schut. Ik had zijn kracht bewonderd, maar had het ook stupide gevonden en het logische gevolg was geweest dat we uit elkaar waren gegaan.
    Natuurlijk wist ik niet of het met alle mannen zo dachten, maar ik schaamde me nog altijd voor mijn eerdere daad en wilde niet nog een fout begaan. Waarschijnlijk zou hij mijn hulp na eerder ook absoluut niet meer willen. Het kostte me ontzettend veel moeite, maar ik draaide me om en duwde Rae voor me uit, weg van Idwallon. Hoeveel ze had gezien wist ik niet, maar we konden niet snel genoeg ver weg zijn. "We nemen een andere route," legde ik uit waarna ik nog een keer moest slikken. Mijn kamer was niet ver weg en ik was vastbesloten haar aandacht, mocht ze het gezien hebben, op iets anders te vestigen, maar onbewust had ik dit zelf ook nodig. Helaas had het beeld zich al in mijn achterhoofd genesteld en was er geen ontkomen aan. Zo goed als ik kon probeerde ik het eerdere voorval te negeren en eenmaal op mijn kamer boog ik me dan ook direct over mijn kleding. "Geef me even.." mompelde ik en zocht tussen de netjes opgevouwen kledingstukken. Rokken, blousen, jurken.. Absoluut geen broeken of versleten kleding, dit laatste verdween altijd direct uit mijn kamer. Het moest wel héél ernstig met mijn zijn, mocht ik iets aantrekken dat versleten of vies was. "Hier is hij!" zei ik opgelucht toen ik eindelijk de juiste jurk had gevonden en overhandigde deze aan Rae. "Trek maar aan, hij staat je vast geweldig," vertelde ik met een gemaakt glimlachje. Ik meende de woorden, sowieso was ik een slechte leugenaar, maar ik kon me niet meer zo enthousiast voelen over dit zoals eerder. Terwijl ik even naar buiten stapte om haar wat privacy te geven zodat ze zich kon omkleden dwaalde mijn gedachten alweer snel af. Had ik hem echt alleen moeten laten? Oh God, hij had er zo wanhopig uitgezien, wie wist zou hij zichzelf wat aan doen.. Nerveus schuifelde ik met mijn voeten over de grond, misschien moest ik straks even langs.. Of zou hij me dan wegsturen? Bij elke gedachte die me te binnen schoot begon ik meer en meer te twijfelen, maar waar ik niet over twijfelde was dat het me pijn had gedaan iemand zo hulpeloos en kwetsbaar te zien.


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Amaris "Rae" Valora

    "Mijn hemel! Zo kun je niet rondlopen! Moet je je jurk zien! Kom," Ik keek over mijn schouder toen ze me aan mijn pols met zich meesleurde. Waar gingen we heen? Nu had ik al veel meegemaakt, maar dit was iets nieuws. Ik was nog nooit in mijn leven zo enthousiast verwelkomd door een onbekende maar ik moest toegeven dat ik het ergens best vermakelijk vond. "Ik heb nog wel iets fatsoenlijks voor je. Hoe komt je jurk er zo uit te zien?" Nog voordat ik had kunnen protesteren, liepen we al een heel eind door de gang. Wanneer ze mijn pols eindelijk los liet, voelde ik even aan mijn pols op de plek waar haar hand had gezeten en keek de vrouw een beetje vreemd aan. De vrouw had blonde haren en een vriendelijk gezicht maar ze ratelde zo snel dat ik moeite had om alle woorden tot me door te laten dringen. Zou ze eigenlijk wel kunnen ademen als ze als sterveling zo snel zou spreken? "Volgens mij heb je mijn maat en ik heb zat kleding, je kan wel iets hebben. Heb je niks anders?"
    "N-nee," Zei ik nadat ik eindelijk wat mocht zeggen. Ik bleef de vrouw aankijken maar kon toch nog een glimlach opbrengen. Ondanks haar te enthousiaste houding, vond ik haar toch in een zekere zin aardig. Ze straalde gewoon pure vriendelijkheid uit en dat werkte best aanstekelijk. "Ik heb in alle haast niets meegenomen, dit is alles wat ik heb." Er was gewoon geen tijd geweest om iets van mijn garderobe mee te kunnen nemen, anders had ik mijn jurken zeker en vast niet achtergelaten. Maar het zou alleen maar een extra last zijn geweest moest ik ze wel hebben meegenomen. Mijn leven was nog steeds meer waard dan een hoop stoffen en ik had zo het gevoel dat ik snel gevonden zou zijn geweest moest ik toch alles hebben meegenomen. Ik had niets van bezittingen meer, behalve dan de ring die ik om mijn nek droeg.
    Wanneer we het hoekje omgingen, voelde ik voor enkele seconden hoe de sfeer tussen ons veranderde. Een vervelend gevoel bekroop me en wanneer ik ontdekte waarom dat was, duwde de vrouw me, zonder waarschuwing, voor zich uit. Ik kon nog net een glimp opvangen van een man die jammerend op de grond zat. Hij leek zo verdrietig dat het gewoon mijn aandacht trok. Nieuwsgierig keek ik zijn kant op, maar het was al te laat om te kunnen zien wie het was. "We nemen een andere route," Hoorde ik de vrouw zeggen en kon alleen maar lichtjes knikken.
    Even keek ik de vrouw aan en vroeg me af waarom we plots van richting waren veranderd. "Ok dan," Zei ik zacht en wierp vervolgens nog eens een vluchtige blik over mijn schouders maar merkte dat de man al uit mijn gezichtsveld was. Ik vroeg me af waarom hij zo veel pijn had, zijn hart leek wel gebroken, ik kon zijn gejammer nog steeds horen, hoewel het zich meer in mijn hoofd afspeelde dan in de realiteit.
    Niet veel later gingen we een kamer binnen die erg hard op de mijne leek. Alleen was deze kamer gezelliger gemaakt dan de mijne. ""Geef me even," Mompelde ze terwijl ze in een stapel kleding aan het zoeken was. Terwijl ze zocht, liet ik mijn ogen voor een tweede keer door de kamer glijden en keek uiteindelijk van op een afstandje naar de vrouw. Ik had haar nog nooit gezien, of misschien was ze mij nog niet opgevallen. Hoe dan ook, ik kende haar niet maar was opgelucht dat ook zij erg vriendelijk was. "Hier is hij! Trek maar aan, hij staat je vast geweldig."
    Met grote ogen nam ik de jurk aan. Hij was echt prachtig en de stof voelde zo fijn aan in mijn bleke handen. Ik beet op mijn onderlip en wilde wat zeggen maar kreeg er de kans toch niet voor aangezien de vrouw alweer op de gang verdwenen was.
    Aarzelend deed ik toch mijn versleten jurk uit en liet deze op de grond vallen. Met een kleine pas, stapte ik uit de jurk en werd er weer aan herinnerd hoe mijn lichaam er uit zag. Het was zeker en vast geen tempel zoals bij sommige vrouwen maar toch was ik al lang over de onzekerheid van mijn lichaam. Er waren ergere dingen in het leven dan een lichaam vol littekens.
    Voorzichtig deed ik de jurk aan die ik van de vrouw had gekregen en was verbaasd over het feit hoe zacht deze voelde op mijn huid. Nu ik hem aanhad, leek hij werkelijk nog prachtiger dan ik had gedacht. Mijn hart maakte een klein vreugdesprongetje terwijl ik mijn handen over de stof liet glijden. De jurk zal als gegoten. Toch had ik het gevoel dat ik er niet blij om mocht zijn.
    Ik fronste, ging naar de deur en trok deze zacht open. Aarzelend stak ik mijn hoofd naar buiten en zag dat de vrouw er gelukkig nog stond. "Eh, de jurk is echt prachtig," Zei ik met een onzekere glimlach en fronste hierbij mijn wenkbrauwen. "maar ik vrees dat ik hem niet kan aannemen. Niet dat ik niet wil, maar ik zou me zo schuldig voelen dat ik je jurk inpalm."
    Hopelijk vond ze me niet onbeleefd, maar ik was het niet gewend dat mensen me zo goed behandelden. "Begrijp me niet verkeerd, ik wil niet ondankbaar zijn maar het is te veel." Ik sloeg mijn ogen neer en voelde nog een keertje over de zachte stof die zo fijn aanvoelde onder de streling van mijn vingers. Als ik ook zo'n stof had zou ik best mijn eigen jurken kunnen maken maar dat zou best veel werk zijn. In principe zou het niet onmogelijk zijn, gewoon moeilijk, hoewel ik wel van uitdagingen hield.
    Vroeger; voordat ik in de instelling zat, maakte ik vaak jurken, rokken en blouses samen met mijn moeder. Meestal was dat in de winter, bij de haard terwijl het geluid van het geknetter van de vuur de kamer vulde. Het was altijd zo gezellig geweest. Alleen zij en ik en niemand die ons kwam storen in ons kleine, perfecte wereldje. Tot het moment natuurlijk dat ik werd opgesloten.


    Forget the risk and take the fall...If it's what you want, it's worth it all.

    Alexa Elizabeth Turner ~ 3e rangs vampier

    Terwijl ze in haar gedachten verzonken was keek ze nog steeds voor zich uit. Als er iets was waar ze een verschrikkelijke hekel aan had was het huilen. Ze deed het dan ook vrijwel nooit, en dat maakte het des te bijzonder als ze het wel deed. Huilen in het bijzijn van anderen was iets wat ze zich helemaal niet toeliet, al helemaal niet bij Cedric. En dus slikte ze haar tranen in, wat nog wonderbaarlijk goed lukte. Toch moest ze met haar ogen knipperen om alles weer helemaal scherp te zien. Zo onopvallend mogelijk streek ze even met haar hand onder haar ogen, om de opwellende tranen weg te vegen. Hoe zielig het ook klonk, ze had het idee dat de drank haar altijd hielp met dit soort dingen. Vandaar dat ze de wijnfles nog in haar handen geklemd had. Haarogen gingen nu ze zich weer enigszins op orde had richting Cedric, die nog steeds niet blij leek haar te zien. Wat had ze dan ook verwacht? Ze kon zichzelf wel voor haar hoofd slaan, om ook maar iets anders te verwachten. Ja, ze kenden elkaar al lang maar zij was echt diegene die het uit had gemaakt.

    “Ja, net zo ongepast als het uitmaken via een briefje?” had hij weerkaatst. Hoewel ze hem niet had aangekeken wist ze zeker dat er zo’n geniepig grijnsje op zijn gezicht had gelegen, eentje die ze maar al te goed kende. Toch werd deze niet vaak tegen haar gebruikt, maar tegen anderen. Ze kon het hem niet kwalijk nemen dat hij zulke opmerkingen maakte en zweeg. Hierop had ze toch niets te zeggen. Toen ze omkeek om naar hem te kijken zag ze dat hij tegen haar muur aanleunde. Een muur die al heel wat te verdragen had, omdat er wel het een ander in haar kamer gebeurde als ze mensen uitnodigde. Ze had spijt dat ze had gesproken, ze had helemaal niet moeten spreken. Ze had simpelweg moeten zeggen dat ze geen zin had om met hem te spreken, dat ze niet in de stemming was. Want dat was de werkelijkheid, ze was gewoon te moe om zichzelf goed te kunnen verantwoorden. Aan de andere kant was ze toch wel blij dat er nu iemand bij haar was, en was ze stiekem ook blij om hem te zien. Ja, ze had het uitgemaakt, maar dan kon ze toch wel dingen aan hem missen? Ze moest zich herinneren dat ze het had uitgemaakt met een reden, want hoe hij daar zo stond.. Het liet meteen weer gevoelens in haar boven laten komen die ze het liefste op dit moment niet zou hebben. Ze had misschien wel verwacht dat hij weg zou gaan, zou zij misschien ook wel hebben gedaan. Haar woorden kwamen gewoon een beetje laf over. Opeens zuchtte hij hardop , wat haar blik naar hem toe liet trekken. Haar ogen gingen even over zijn lichaam en zijn gezicht. Waar was ze mee bezig? Snel wendde ze haar blik op zijn ogen. Ze keek toe hoe hij een paar stappen naar voren zette. Zelf bewoog ze niet. Wat ging hij doen, hij ging haar toch geen klap in haar gezicht verkopen? Nee… Ze voelde dat hij een hand op haar zij legde, wist dat ze dit niet zomaar moest accepteren, maar deed er toch niets aan. Het voelde op de een of andere manier vertrouwd, dat kon ze gewoon niet ontkennen. Ze trok één wenkbrauw hoog op toen ze zijn blik zag. Zag ze dat wel goed? Waarom zou hij nu opeens vriendelijk tegen haar doen. Typisch Cedric, het ene moment dacht ze dat ze hem helemaal doorhad, het andere moment wist ze niet wat ze met hem moest beginnen. Hoewel ze elkaar al een aardig lange tijd kende, kon hij haar blijven verrassen. Dat was een van de dingen dat ervoor zorgde dat ze af en toe echt een zwak voor hem had. Hij had de wijnfles uit haar hand gehaald. Bijna wilde ze tegenstribbelen, maar omdat ze zo verward door zijn plotselinge actie was, liet ze het toe. “Waarom?” vroeg ze aan hem, alsof het compleet logisch was dat ze dat vroeg. “Je vergeeft me toch niet..” zei ze zacht, haar ogen gingen naar hun vingers die nu verstrengeld waren. Ze had geen idee wat ze nu wilde. Aan de ene kant wilde ze gewoon in haar bed gaan liggen slapen en hem wegsturen, aan de andere kant wilde ze niets liever dan hier met hem staan en hoopte ze vurig dat hij haar zou vergeven. Zodat ze in ieder geval weer vrienden zouden kunnen zijn. Ze bleef hem aankijken, al snel deed hij haar weer verbazen. “Dans met mij, Alexa.” Klonken zijn woorden, zo zoet fluisterde hij het in haar oor dat ze er bijna van smolt. Charmeur. Meestal trapte ze niet in dit soort trucjes maar bij hem was het anders. Haar verwarde blik veranderde. Een glimlach stond op haar gezicht, daar kon ze gewoon niets aan doen. En het was alsof haar ratio uitgeschakeld was. Ze volgde haar impulsen. “Oke, voor eventjes” zei ze toch, al wist ze dat het loze woorden waren. Haar armen had ze al snel om zijn hals geslagen, en ze verkleinde de afstand tussen hen. Al snel bewoog ze ritmisch op muziek die niet te horen viel, maar ze wel voelde. Met een glimlach op haar gezicht bleef ze hem aankijken.


    Aan niets denken is ook denken.

    Cedric Laurentius Salomon, 21/138 • 3erangs.
    Ze had niks terug geantwoord op mijn weerkaatste antwoord en ik dacht eerst dat het een soort strijd moest wezen om te zien wie er gelijk had. Maar dat was zielig gedacht van mij, dat wist ik nu, nu ik Alexa dicht bij mij voelde. Lichtjes voelde ik tintelingen diep in mij en dat kwam niet doordat ik Alexa weer zag (oké, misschien wel), maar het kwam doordat ik veranderde. Ik voelde mezelf veranderen, mijn gedachten veranderden. Ik was niet hatelijk, ten minste niet hoe ik eerst was zonder haar.
    'Waarom? Je vergeeft het me toch niet.' Had ze zachtjes gezegd toen ik mijn vingers verstrengelden met die van haar. Het is niet de kunst van het vergeven, lieve Alexa. Het is de kunst van de vriendschap te behouden. Als je die behoud, dan vergeef je elkaar uiteindelijk alles – tot aan het donkere toe, kwam er in mijn gedachten op. Maar er moest wel tijd verstreken worden. Dit wilde ik haar vertellen, maar ik deed het niet.
    Het enigste dat ik haar had gezegd was “Dans met mij, Alexa.”

    Een glimlach kwam tevoorschijn op haar gezicht. 'Oké, voor eventjes,' had ze geantwoord, maar ik wist wel beter. Dat duurde nog wel even. Vooral toen ze haar armen snel rond mijn hals had geslagen en de afstand tussen ons verkleinde. Ze was dan net wel terug van haar lange reis, maar ze rook nog net zo lekker als dat ik mij kon herinneren en ze zag er nog net zo mooi uit als dat ik haar voor het laatst gezien had. En dan waren wij wel vampiers, maar vampiers konden zeer zeker wel veranderen. Al dachten die zielige mensen van niet. Zielenpoten.
    Ze bleef met een glimlach mij aankijken en eerst had ik haar ook met een halve glimlach aangekeken, maar wendde mij toen af. Vooral omdat ik mezelf weer herinnerde aan het brandende briefje in mijn borstzak en dan brandde het niet echt, maar het deed zeer.
          Mijn handen rustten op haar onderrug en mijn handen werden wat klam van de gedachtes dat ik haar al heel lang niet gezien had. Rustig, het is maar Alexa. Juist, Alexa. Daarom juist.
    En zo gingen mijn gedachtes de hele tijd door, waarna ik eindelijk ervoor had kunnen zorgen dat mijn gedachtes mij niet konden afleiden van de dans zelf. Het werd eens tijd, want ik werd er gek van. Vooral van Cedric die mij de hele tijd toefluisterde wat ik moest doen. Kon ik mijn gedachtes maar eens een keer opsluiten of voor altijd laten ophouden.
    Nog steeds danste ik zachtjes mee in de stille tonen van de onzichtbare muziek die er speelden in de kamer van Alexa. In de kamer van Alexa waar van alles al gebeurd is en ik de leukste, maar ook de mindere tijden mocht doorbrengen met haar.
    En waarom was ik ook al weer vampier? Oh ja, omdat ik gedoemd ben tot het eeuwige leven en iemand vond dat ik dat verdiende, dacht ik sarcastisch.

    “Vergiffenis is niet waarvoor ik kwam.” Had ik haar op een mysterieuze toon gezegd, maar het was de waarheid. Terwijl ik dit had gezegd, was ik weer voorover gebogen en fluisterde dat in haar oor. Voor heel eventjes had ik mijn handen wat harder in haar onderrug geduwd, zodat ze dichter naar me toe kwam, en hield het toen weer zachtjes op haar onderrug. Haar zoete, bekende geur kwam mijn neusgaten in en mijn ogen hadden zich verwijdt. Ze was dan geen mens, maar die seksuele spanning was niet veel anders. Ik moest mezelf tegenhouden om geen kusjes in haar nek te plaatsen.
    Ophouden, ophouden, ophouden. Dit herhaalde ik meerdere keren en perste er nog zachtjes een “Waarom?” uit. Misschien gaf ik een verkeerde indruk hiermee, dat ik hiervoor zou komen, maar dat was niet zo – weliswaar een klein beetje, maar dat was niet de voornaamste reden.
    Ze wist wel wat ik met die 'waarom' bedoelde. Waarom zij mij verliet.
          Ik hoopte dat dit gesprek mij tegen zou houden, want anders wist ik het niet. En ik slikte even.


    Don't walk. Run, you sheep, run.

    Mijn posts zijn kort, pfft. Ik heb ook elke keer te weinig tijd en ik wil wel een flashback verzinnen voor Alice, maar ben er nog altijd niet uit wat.. D: Ik heb haar geschiedenis nog niet helemaal op een rijtje.

    Alice Woods ~ 3e rangs vampier.
    Mijn gedachten gingen de hele tijd uit naar Idwallon en uiteindelijk besloot ik dat ik straks bij hem langs zou gaan. Het zat me werkelijk niet lekker en dat was sterker dan mijn schaamte en het idee dat hij me hoogstwaarschijnlijk niet eens wilde zien. Hoe dan ook, ik wilde met eigen ogen zien of het weer met hem ging. Nog voordat er opnieuw twijfels op konden komen kwam Rae mijn kamer uit en ik bekeek haar kort. Nu ik haar zag werden mijn eerdere vermoedens bevestigd. De jurk stond haar geweldig en liet haar goede kanten nog beter uitkomen, hij stond haar beter dan dat hij mij stond. Het was dan ook één van de jurken die ik onder het kopje miskoop kon plaatsen, ik droeg hem haast nooit en dat was doodzonde. van zo een prachtige jurk.
    "Eh, de jurk is echt prachtig, maar ik vrees dat ik hem niet kan aannemen. Niet dat ik niet wil, maar ik zou me zo schuldig voelen dat ik je jurk inpalm." Ze klonk erg onzeker en ik haalde mijn schouders op. "Je hoeft je niet schuldig te voelen. Hij staat jou beter dan dat hij mij staat en eerlijk? Ik draag hem bijna nooit, echt waar. Het is zonde als hij niet gedragen wordt dus toe, hou hem." Ik glimlachte vriendelijk naar haar. Een dame hoorde er naar mijn mening altijd verzorgd uit te zien en de jurk die ze eerder had gedragen deed daar weinig aan. Plots drong het tot me door dat ze waarschijnlijk geen andere kleding bij zich had, anders had ze vast niet in dat andere vod rondgelopen. "Heb je geen andere kleding mee?" vroeg ik haar dan ook verbaasd voordat ik mijn kamer weer inliep. Natuurlijk, ze was nieuw, maar waar kwam ze vandaan? Het leek mij vreemd dat ze niks mee had genomen, of was ze in haast vertrokken?
    "Mijn hemel, je mag wel wat van mij hebben, ik heb meer dan genoeg." Opnieuw spitte ik de stapel kleding door en haalde er een jurk, een rok en twee blouses uit. Kledingstukken die ik nooit of amper droeg en die er dus nog als nieuw uitzagen. "Alsjeblieft," zei ik terwijl ik haar de kleding en overhandigde, "en je zou me juist blij maken als je het aanneemt," voegde ik er gauw nog naar de waarheid aan toe, voordat ze kon weigeren. Ik streek mijn rok glad en keek Rae aan toen ik me ineens realiseerde dat ik me niet eens had voorgesteld. "Oh wat erg! Het spijt me, ik liet me te veel meeslepen en toen is het me helemaal ontschoten." Ik voelde hoe mijn wangen meer kleur kregen terwijl ik kort mijn ogen beschaamd neersloeg. "Ik heet Alice, Alice Woods," zei ik toen, deze keer rustiger en stak mijn hand naar haar uit. Er was vandaag ook zo veel gebeurd, het was haast nog te veel om te kunnen verwerken voor me. Mijn hemel, hopelijk zou het al een hoop schelen als ik straks Idwallon had gesproken en er zeker van was dat het goed met hem ging. Dan kon ik direct nogmaals mijn excuses aanbieden voor eerder, hopelijk zou dat schelen.

    [ bericht aangepast op 24 sep 2013 - 19:49 ]


    In the end the only person we love is ourselves, that's why we choose to love someone who can please us the most.

    Waar Félice geschrokken reageerde op het nieuwtje dat er een gevecht in de kroeg had plaatsgevonden, vond ik het alleen maar amusant. Iedereen die me kende wist dat ik soms wel eens in was voor een goed gevecht, al was ik er op dat moment misschien sneller tussengekomen om de lastpakken buiten te zetten dan dat ik echt meegedaan zou hebben. Het was dat ik Vilkas echt mocht en dat ik zonder hem nu waarschijnlijk ergens uitgehongerd op straat zou zitten. Andere kroegbazen zouden niet op mijn hulp moeten rekenen als er gevochten werd daar ik meestal wel diegene was die het zelfs nog erger maakte door dingen te schreeuwen of me gewoon in het gevecht te mengen. Mijn blauwe kijkers volgden het bordje met het stuk taart dat, samen met de woorden dat ze de taart niet moest hebben, naar voren geschoven werd. De neiging was groot om het stuk gewoon van het bordje te gritsen, maar ik kon me nog net inhouden. Het zou gewoon vreselijk onbeleefd zijn en daarbij werkte ik eerlijk gezegd liever voor mijn eten dan het gratis te krijgen. Vanaf het moment dat Vilkas begon met het bordje op te ruimen, schoof ik van mijn barkruk af om de tekening te zoeken. Ik vond het altijd fijn om die dingen weg te geven dan dat ik ze zelf hield. Ik kon er toch niets mee en anders zou het kleine huisje dat ik bezat toch maar vol liggen met die tekeningen. Met wat moeite wist ik de gehele tekening uit te rollen op de bar, maar kon het toch niet helpen dat er een stukje over de rand heen hangt. Gelukkig lag het deel dat ik moet hebben wel fatsoenlijk op de bar zodat iedereen het fatsoenlijk kon bekijken. Vanuit mijn ooghoeken keek ik even naar Vilkas toen deze doorhad dat hij en Félice op de tekening stonden. “C’ptain obvious,” mompelde ik en ging in een hardere toon verder met de uitleg over waarom ik de tekening had bovengehaald. De woorden van Félice zorgden ervoor dat er voor een kort moment een lichte fonkeling in mijn blauwe kijkers te zien was voordat ze weer dof werden. “Je mag hem hebben, ik kan er toch niet veel mee doen.” Keurig rolde ik het papier terug op, deed het lint terug netjes in het midden zodat het ook opgerold zou blijven en overhandigde de rol aan Félice. Ik richtte mijn aandacht al snel terug op Vilkas toen deze voorstelde om tekeningen te maken voor de herberg. Nadenkend knikte ik terwijl ik in mijn hoofd al naging wat voor soort tekeningen geschikt zouden zijn. “Dat aanbod sla ik niet af.” Ik zou alles doen om wat meer geld te kunnen verdienen, om mijn leven iets draaglijker te maken. “Over werk gesproken. Zou je het erg vinden dat ik even ga kijken of Mitchell gisterenavond veilig is thuisgekomen? Dankje!” Nog voor ik echt antwoord had gekregen, pakte in mijn tas en liep naar de deur. Voordat ik naar buiten stapte, zwaaide ik nog even naar de twee om daarna naar buiten te lopen.

    Ik vroeg me echt af of Mitch heelhuids thuis was gekomen of net zoals ik de nacht op straat had doorgebracht. Een lichte grijns vormde zich om mijn lippen terwijl ik mezelf probeerde voor te stellen hoe de man er nu zou bijlopen. Fluitend volgde ik de weg naar Mitch’ huis, maar stopte abrupt met lopen toen ik vanuit mijn ooghoek iets bekends opving in een of ander steegje. Een onbehaaglijk gevoel bekroop me toen ik het hoedje dat op de grond lag herkende als dat van Mitch en dat gevoel werd alleen nog maar sterker toen het bloed opmerkte dat op de grond lag. Zonder nog veel tijd te verliezen, pakte ik het ding van de grond en zette het op een rennen. Ik had zo het gevoel dat er iets gebeurd was en als ik eerlijk moest zijn sprak dat gevoel me niet echt aan. Ik kwam slippend tot stilstand voor het juiste huis en klopte op de deur. Het onbehaaglijke gevoel begon plaats te maken voor pure paniek terwijl ik om het huis heen liep toen er niemand open deed en moeite deed om door de ramen naar binnen te kijken. De paniek had zijn hoogtepunt bereikt toen ik er zeker van was dat er niemand thuis was. Dit was niet goed, helemaal niet goed. Misschien had het bestuur door dat Mitch diegene was die de rebellen leidde en hadden ze hem opgepakt. Voor de tweede keer zette ik het op een rennen terwijl mijn hartslag een heel stuk omhoog ging. De paniek zorgde ervoor dat ik moeite kreeg met ademen, maar desondanks bleef ik doorlopen. Ik begon me licht voelen in mijn hoofd en merkte niet eens dat ik tegen mensen opliep en deze me daarna kwaad nariepen. Het enige waar ik aan kon denken was dat ik iemand moest zoeken die ik kon vertrouwen en die iets afwist van de rebellen. Het zou zelfs beter zijn moest die persoon ook bij de rebellen zitten, dan zou het veel makkelijker zijn om naar Mitch te gaan zoeken. Voor de zoveelste keer was ik tegen iemand opgelopen, maar omdat deze persoon geen stap verzette, veerde ik terug en viel met een smak op de grond. Grote blauwe kijkers werden op de man voor me gericht om daarna door te glijden naar de vrouw waar hij mee aan het praten was. “Éowyn.” Snel krabbelde ik overeind, negeerde de man waar ik tegenaan gelopen was en liep naar haar toe. Ik opende mijn mond een paar keer om uit te leggen wat er juist aan de hand was, maar er kwamen gewoon geen woorden uit. Een paniekaanval kwam de kop op steken en ik begon steeds sneller te ademen. Het enige wat ik tussen het ademen door wist uit te brengen was Mitchells naam en het woord verdwenen. Daarna werd alles zwart en viel ik voor de tweede keer op de grond.

    [ bericht aangepast op 29 sep 2013 - 5:52 ]


    -Hi, I'm Andy, also freaking out- Andy Gallagher

    kan ik een mens reserveren, ik ben hier wel nieuw maar heb al wel wat ervaring, vanwege omegle, en chatzy enz. :)


    How far is far

    Alexa Elizabeth Turner ~ 3e rangs vampier

    Haar glimlach was nog voor een lange tijd op haar gezicht blijven hangen. Het liefst wilde ze niet praten, alleen maar dansen en alles even vergeten, maar ze wist dat ze uiteindelijk iets moest zeggen. Dat was ze ook aan hem verplicht. Het vermoeide gevoel dat ze had gehad op het moment dat ze was aangekomen was als sneeuw voor de zon verdwenen. In plaats van dat ze zich vermoeid voelde, voelde ze zich nu aangenaam. Dat ze zich had voorgenomen om niet zomaar in de handen van haar ex te lopen, kon haar op dit moment niets meer schelen. Ze had even de warmte van een ander lichaam nodig, vertrouwde armen om zich heen.

    Hoezeer ze het ook probeerde, ze kon hem niet peilen. Was hij boos op haar, haatte hij haar, wilde hij haar echt vergeven? Ze wist het allemaal even niet meer maar besloot om niet een heel vragenvuur te openen. Die halve glimlach op zijn gezicht maakte haar even heel kort doen grijnzen, maar al snel zag ze geen spoortje meer van die glimlach op zijn gezicht. Ze begon meer met haar heupen te dansen, stelde zich voor dat er salsa muziek op de achtergrond speelde en probeerde Cedric zover te krijgen om met haar mee te dansen. Het heerlijke was dat er geen muziek in werkelijkheid te horen was maar dat ze hem toch zo goed kon voorstellen. Zachte ritmische klanken. Zij was niet diegene die een poging deed om een gesprek te beginnen, zoals meestal wel het geval was. Ze hield haar lippen rustig op elkaar, woorden waren volgens haar op dit moment niet nodig. Ze herinnerde zichzelf eraan dat ze zo maar eens in haar bed moest kruipen en dat het opruimen wel kon wachten tot de volgende morgen. Maar ze kon niet zomaar haar gedachten van Cedric afhalen en had eigenlijk ook geen zin om pogingen te doen om te slapen. Ze wist al precies hoe dat zou gaan uitlopen. Minuten, nee, uren zou ze wakker kunnen liggen. Ze had veel te veel stof om over na te denken. Alice haar probleem, hoe ze weer actief zou kunnen worden in de clan, hoe ze met Cedric om zou moeten gaan. Haar handen bleven om zijn hals liggen. Even kreeg ze de neiging om een plukje haar wat niet helemaal op zijn plek stond bij hem goed te doen, maar ze hield zich in. Dit kon eigenlijk helemaal niet wat ze deed. Ook al was het gewoon dansen, het voelde als meer. Ze voelde een soort van spanning, eentje die ze wel vaker samen hadden gehad. Er zou maar een actie van een van de twee nodig zijn en ze zou zichzelf volledig verliezen. Er sprankelde iets in haar ogen, iets ondeugends, waar ze geen controle over had. Haar ogen gingen naar haar handen om zijn hals, om maar eens even ergens aan te denken dan aan hem.

    “Vergiffenis is niet waarvoor ik kwam.” zei hij, en zo plotseling werd de stilte verbroken. De muziek die ze in haar oren bijna kon horen leek ook te zijn opgehouden. Hij had het in haar oor gefluisterd, maar het was duidelijk hoorbaar geweest. Hij had haar wat meer naar zich toe getrokken, iets dat ze niet erg vond. Voor een moment wist ze niet wat ze hier van moest denken. Maar al snel maakte het haar niet veel meer uit. Ze had hem, hij was bij haar, dat was toch goed? “Prima, dan hoeven we het daar niet meer over te hebben” zei ze, impulsief. Ze kon er niet meer tegen. Nu hij zo voor haar stond, en ze stiekem naar hem verlangd had, wilde ze hem weer. Ze had de ruimte tussen hen niet verkleind, maar liet haar lichaam tegen het zijne aankomen, zodat ze goed zijn lichaamswarmte kon voelen en hij die van haar. Op het moment dat ze hem nog meer naar haar toe wilde trekken, om hem simpelweg vurig te kussen, opende hij zijn mond. Zijn woorden zorgden ervoor dat ze gelijk op hield met bewegen, dat haar handen van zijn hals gleden en dat ze de afstand tussen hen iets verkleinde. Plotseling snakte ze naar de wijn, alsof het haar laatste redmiddel zou zijn. Ze zag hoe hij slikte, en wist heel goed wat hij met die ‘waarom’ bedoelde. De sprankeling in haar ogen was verdwenen. Haar hele stemming was zo in een paar seconden weer omgeslagen. Ze opende haar moment, al zoekend naar de juiste woorden en wilde wat zeggen, maar de woorden kwamen er maar niet uit. “Ik was niet meer verliefd op je, en voordat ik op reis zou gaan wilde ik het wel uitmaken maar ik wist niet hoe” zei ze zacht. Zelf geloofde ze de woorden niet helemaal. Ze had zich opgesloten gevoeld wilde ze zeggen, maar daar zou hij niets van begrijpen. Zelf begreep ze niet helemaal waarom ze het had uitgemaakt, omdat ze zijn persoonlijkheidswisselingen niet aankon? Dat kon ze zich eigenlijk niet voorstellen. Haar ogen verplaatsen zich naar die van hem, ze wist dat hij hier ook niet mee akkoord zou gaan. Hoe ze hem moest gaan vertellen dat ze op reis ook wel het een en het ander met andere mannen had gedaan, wist ze al helemaal niet. Maar hij kende haar langer dan vandaag en moest niet verwachten dat als ze het had uitgemaakt niet open zou staan voor anderen.


    Aan niets denken is ook denken.